| |
Met een werkloosheidspercentage van ruim 40 zou men denken dat het vinden van personeel in Indonesië een fluitje van een Rupiyah
is. Nou dat kan men wel vergeten. Het vinden van geschikt personeel is zeer
lastig. In Indonesië wordt werken als een bezigheid voor de dommen
beschouwd, waaruit niet meteen de conclusie getrokken mag worden dat men in dat land zo slim zou
zijn. We kunnen echter wel stellen dat er een zekere gewiekstheid in dit land bestaat om de duiten uit andermans portemonnaie naar de eigen dompet te doen laten
verhuizen. Deze houding vinden we vooral bij overheidspersoneel, doch ook de particuliere sector is niet vrij van deze
oplichterspraktijken.
Stappen we in Indonesië een willekeurig kantoor of werkplaats
binnen, dan zal
u na het openen van de deur geen zweetlucht afkomstig van de met hun taak worstelende lichamen der noeste werkers in het gezicht
slaan, evenmin zal het lied der arbeid luide over de werkvloer
schallen. Integendeel
u zult krantenlezende, slapende en vooral vrolijk kletsende mensen aantreffen, die schijnbaar de grootste lol hebben als ware
werken, zelfs de aanwezigheid op de werkplek, een groot feest. Mocht
u met een bepaald doel naar een kantoor of werkplaats zijn gekomen en naar iemand van de leiding
vragen, die geen directeur of eigenaar is, dan zult
u enige moeilijke momenten moeten doorstaan. Want in het algemeen zal de persoon die competent is om met
u van gedachten te wisselen niet aanwezig zijn. Die is "belum datang", nog niet aanwezig of komt
"nanti", straks maar meestal is het "kurang tahu", weet ik
niet. Het kan ook toevallig zijn dat
u geconfronteerd wordt met een groep hard werkende arbeiders, dan zal de directeur of eigenaar aanwezig zijn en moet er de schijn opgehouden
worden, wat dan ook zeer zenuwachtig gebeurt.
In het algemeen kunnen we stellen dat het hebben van een baan voor de Indonesiër betekent dat hij
er een familie buiten de deur bij heeft waar hij een aantal dagen per week verblijft en
die daar aan het einde van de week of maand geld voor krijgt, hiermede kan de bloedverwante familie in leven gehouden
worden. Om mensen met deze mentaliteit aan de slag te krijgen en vooral te houden dient men te beschikken over een slavendrijverinstelling daterend van een eeuw
terug. Het personeel wil dan wel graag klagen over de onderbetaling die hun ten deel
valt, maar met de productiviteit van de gemiddelde Indonesische arbeider is het erg droevig
gesteld. Al veel grote buitenlandse fabrieken zijn, ook door de instabiele situatie in Indonesië naar
onder andere Vietnam verhuisd, waar een arbeider 2x zoveel produceert tegen de helft van het salaris
dat in Indonesië betaald wordt. Om dit verhaal enigszins evenwichtig te houden moet er wel even vermeld worden dat de laagstbetaalden in Indonesië het hardst
werken. Dit is de grote groep van rijst- en andere boeren, die in het algemeen voor een grondbezitter werken en uitbetaald worden met een gedeelte van de
oogst, van betaling in geld is hier nauwelijks sprake. Deze mensen werken om te
eten, in al de andere zorg wordt door de landeigenaar voorzien. Ook is er een groot verschil tussen de verschillende volkeren in deze
archipel, sommigen hebben een hoge arbeidsmoraal, met anderen is het zeer treurig
gesteld. Dit is al op Java het geval waar er een heel groot verschil tussen het Oosten en het Westen van het eiland bestaat en
ik wens niemand een Soendanees uit het West-Javaanse als personeelslid toe, dit als variatie op een oude Joodse
witz. Oost-Javanen daarentegen weten van wanten.
Voor de toerist in Indonesië vallen bovenvermelde zaken allemaal zeer eenvoudig waar te
nemen. Hoe vaak gaat er een simpele bestelling in een restaurant vreselijk
fout, moet men lang wachten of allerlei verzoeken doen om zaken die vanzelfsprekend
zijn, zoals het openen van een fles of het verstrekken van
servetten. (NB: Het klagen over die dikke vette zwarte haar in het eten heeft geen
zin, dat is de handtekening van de kokkie die 1 op de 3 maaltijden persoonlijk
signeert.) Overal onderweg zal men groepen mensen aan het werk zien waarbij zal opvallen dat het grootste gedeelte van de groep slechts toekijkt naar enkelen die bezig
zijn; dit is het zogenaamde Gotong Royong, "met vereende
krachten".
In de jaren die ik in Indonesië verbleef heb ik al tientallen
pembantu's, huishoudelijke hulpen,
versleten en is er wellicht eentje waarnaar ik met plezier terug kan denken. Al de anderen waren
lui, gespeeld dom, diefachtig of te vaak ziek. De eerste gedachte aan wonen in Indonesië die bij westerlingen opkomt is vaak al dat goedkope personeel dat alles voor je
doet. Nou vergeet dat maar, men krijgt er een dagtaak bij om dat personeel in de gaten te
houden, instructies te geven, ze weer aan de gang te krijgen als ze stil vallen of nieuwe te zoeken als ze er weer eens genoeg van hebben
gekregen, uiteraard na eerst een riant voorschot van
u losgepeuterd te hebben om een ziek familielid te bezoeken en er daarna van tussen te gaan om nooit meer terug te
komen. Bij het op zoek gaan naar een nieuwe hulp zult
u te horen krijgen dat men dit "werk" tegenwoordig niet meer wil doen. Dit lijkt ook op te gaan voor
tuin- en timmerlieden, elektriciens, chauffeurs etc., etc., allemaal heel moeilijk te
vinden, tenzij er een directeurssalaris geboden wordt of
u ingaat op hun exorbitante salariseisen.
Wat in Indonesië opvalt is het grote aantal werkplekken dat door de bevolking zelf gecreëerd
is, in het algemeen eenvoudige bezigheden, waarbij de mogelijkheid bestaat een ander te
rippen. Zoals daar zijn de parkeerwachters, de verkeersregelaars,
kruispuntmuzikanten, die tegen een door henzelf bepaalde vergoeding hun diensten
leveren. Zo zijn er ook op busterminals, treinstations, luchthavens allerlei duistere tussenpersonen
die niet-officieel koffers slepen, voor taxi's, kaartjes en tickets als bemiddelaar
optreden, al dan niet met medewerking van officiële instanties met het oogmerk de prijs van diensten op te
drijven. We zien tegenwoordig ook dat de trottoirs van elke stad van enige omvang omgetoverd zijn tot een openluchtmarkt waar men kan eten of zaken aan kan schaffen die men zo 1-2-3 niet echt nodig
heeft; langs onze ogen trekt een enorme stadsbeeldvervuiling.
Dat er in Indonesië geen werk zou zijn is een
fabeltje. Men hoeft maar naar de toestand van de bestaande wegen te kijken en er kan onmiddellijk een zeer groot leger werkers aan de slag, in plaats van de benzine te subsidiëren
bijvoorbeeld. In het algemeen is onderhoud in dit land een zeer zwak punt, zeg maar niet
bestaand. In elk huis, gebouw, vervoersmiddel, noem het maar, is er van alles kapot dat op zijn hoogst met
ijzerdraad, elastiek of plakband geïmproviseerd is gerepareerd en dat terwijl er van Sabang tot aan Merauke miljoenen mensen
staand, zittend of liggend het moment afwachten waarop de gaji, salaris uitbetaald
wordt, voor louter hun aanwezigheid. In Indonesië wordt de huidige crisis door velen met graagte op het conto van het
Suharto-regime, de Orde Baru, geschreven. Men vergeet daarbij te vermelden dat economisch gezien Indonesië zijn beste tijd ooit heeft gekend juist onder dit regime in de jaren 1980 tot 1995, met instemming en tevredenheid van bijna de gehele
bevolking. Dat
een en ander zo uit de hand heeft kunnen lopen ligt grotendeels aan de kritiekloze en laat-maar-waaien-instelling van het volk zelf tegenover hun
leiders. Ook mag wel eens gezegd worden dat Suharto zelf een hardwerkende en sober levende man was, die zijn volk precies bood wat zij van een leider
verwachten. De excessen waren vooral afkomstig uit de kringen rond Suharto en zijn
familie, een heel normaal verschijnsel in Azië. Doordat men hier zo weinig uitvoert tijdens de werkdag heeft men tijd te over om naar zondebokken en andere spoken te
zoeken, toch al een soort nationaal tijdverdrijf in Indonesië. Doch het falen van deze Republiek is vooral een collectieve schuld van de gehele volwassen
bevolking. Alleen een zeer diepgaande mentaliteitsverandering zou het land kunnen redden. Maar er valt te vrezen dat men daar inmiddels al te
"capek" (moe) voor is, alleen al bij de gedachte aan al die
soesah.
|
| Dit
artikel is eerder verschenen in het Indo Blaadje "
Blimbing" |
| |
|
Amsterdam, 30 september 2002 |
|