Exorbitante rechten
bijles contemporaine Indonesische geschiedenis
 

 


Een iedere Nederlander die zich op de een of andere manier verbonden met Indonesia voelt zou het e.e.a. van de gezamenlijke geschiedenis van deze twee landen moeten afweten, om zodoende wederzijdse invloeden beter te leren begrijpen en vooral waarom Indonesia het land is geworden dat het nu is. Heel vaak wordt deze geschiedenis vertelt vanuit het oogpunt van de Nederlands-Indische “slachtoffers” wit (totok)zowel als bruin (indo), met weinig oog voor het lot van de Indonesiër onder het koloniale juk, behalve in de bijrol van ongehoorzame en luie inlander. Indonesia is een Nederlandse creatie,  waarin bij de vorming vooral de Gouverneurs-generaal Jan Pzn Coen en J.B. van Heutsz een belangrijke rol hebben gespeeld. Coen stichtte in 1619 de stad Batavia, het huidige Jakarta en Van Heutsz bracht in 1909 de laatste buitengewesten onder Nederlands gezag. Een citaat van Coen heeft de Nederlandse aanwezigheid in Indië meer dan 300 jaar lang geďnspireerd: “Dispereert niet, ontsiet uwe vyanden niet, daer en is ter werelt niet dat ons can hinderen... daer can in Indiën wat groots verricht worden!" De kennis van de koloniale geschiedenis van de gemiddelde Nederlander is zeer summier, men denkt liever niet aan dit duistere verleden, dat de Nederlandse samenleving verrijkt heeft met heel wat vreemdelingen uit verschillende exotische culturen. Wat men weet gaat vaak niet verder dan de met trots vertelde verhalen over de VOC, als eerste multinational ter wereld, waarin een klein land groot kan zijn en Ir. Soekarno als collaborateur met de Japanners in W.O.II. Voor Indonesia-lovers is enige kennis van wat er zich in Nederlands Indië in de 20ste eeuw heeft afgespeeld essentieel. Dit behoort tot de contemporaine geschiedschrijving en in deze tijd werd de basis voor het huidige Indonesia gelegd. Hier een samenvatting m.b.t. deze periode:

De 20’er jaren van de vorige eeuw waren zeer woelige jaren in de kolonie Nederlands Indië. Het Gouvernement was geschrokken van de gevolgen van haar Ethische Politiek die aan het einde van de 19e eeuw was  ingevoerd, de Inlanders emancipeerden veel sneller dan het Nederlandse gouvernement ooit had verwacht en wenselijk achtte. Zeker toen er Inlandse massaorganisaties zoals “Boedi Oetomo” (1908) en de “Sarekat Islam” (1912) werden opgericht, al spoedig gevolgd door politieke partijen. Een van de eerste partijen, de Indische Partij met als leider de E. Douwes Dekker, een achterneef van de schrijver Multatuli, werd al spoedig verboden. Haar leider had namelijk op de oprichtingsvergadering op 25 december 1912 over “een toekomstig onafhankelijk volksbestaan” gesproken, voorwaar historische woorden, die echter aanleiding waren om de Indo-europeaan E. Douwes Dekker tezamen met de Javaanse politici Tjipto Mangoenkoesoemo en Soewardi Soerjaningrat voor jaren naar Nederland te verbannen. De roep om medezeggenschap en “Merdeka” begon vanuit Indonesische intellectuele kringen steeds luider door te klinken en dat vervulde de regering met grote vrees. Zij hadden die Inlanders in het kader van de Ethische Politiek laten studeren, om ze hoger op te laten komen, vaak aan Nederlandse universiteiten, doch veel van de studenten hielden zich liever bezig met socialistisch en communistisch gedachtegoed dat in die jaren sterk in opkomst was (“staat op verworpenen der aarde’) en namen deze, vooral voor het koloniale kapitalisme, verderfelijke theorieën mee terug naar Insulinde waar zij dit op de gewone bung in kampung en desa overbrachten.

Het Gouvernement oefende zware censuur uit, met de regelmaat van de klok kregen dag- en weekbladen die de Nederlandse regering niet welgezind waren een verschijningverbod opgelegd.. Bij besluit van de gouverneur generaal van 24 september 1919 werd Jacob Andries Brandsteder “geëxterneerd” wegens zijn opruiende artikelen in de periode 1 april 1918 tot 1 juli 1919 in “De Soldaten- en Matrozenkrant”.

Die Blanda’s hadden na al die jaren verblijf in het oerwoud toch moeten beseffen dat men een aap nooit klimmen moet leren.  In Indië werd in 1917 de Volksraad opgericht waarin “gekozen” vertegenwoordigers van het Indonesische volk werden benoemd die in deze raad tezamen met Nederlandse prominenten hun zegje konden doen, maar de verregaande bevoegdheden die de Indonesiërs eisten werden door Nederlanders als brutaal en niet realistisch beschouwd. Wat dachten die Inlanders wel! Trouwens Nederland achtte dezelfde Inlanders niet in staat een eigen land te runnen, daar Nederland voor deze taak door God persoonlijk was uitverkoren, dat stond immers in het randschrift van de Nederlandse guldens * God * zij * met * ons * Punt uit.

De organisatie van Indonesische studenten in Nederland reorganiseerde zich in 1922 onder de naam Perhimpunan Indonesia. De vereniging werd een centrum van radicale nationalistische gedachten met o.a. Mohamad Hatta, die in Rotterdam economie studeerde. Deze organisatie werd door de Centrale Inlichtingen Dienst nauwlettend in de gaten gehouden, de studenten werd het leven zuur gemaakt.

Gedurende de 20’er jaren werd het lijdzame verzet van de Indonesiërs steeds heftiger, wat het Gouvernement deed besluiten de “harde lijn” te volgen. In 1923 brak er een algemene staking bij de spoorwegen uit, waar 10.000 werknemers aan meededen. De stakers werden massaal ontslagen en het Staatsspoor kwam onder militair beheer, het recht op vergadering werd opgeschort. In de nasleep van dit machtsvertoon vonden bomaanslagen en brandstichtingen plaats. Tijdens de Sekaten van 1923 te Solo werd er zelfs een bom naar de auto van de Sunan geworpen, de bom ontplofte echter niet. Een van de leiders van de stakingen de communistische Haji Moh. Misbach werd gearresteerd en naar Manokwari op Nieuw Guinea verbannen.

Al spoedig zou Gouverneur-generaal De Graeff te maken krijgen met ernstige uitbarstingen van Indonesisch, in hoofdzaak door communisten georganiseerd, verzet: in november 1926 deden zich zware ongeregeldheden voor in Banten,West-Java; in januari 1927 aan de Westkust van Sumatra. Deze gebeurtenissen maakten zowel in Indië bij de Europese bevolkingsgroep als in Nederland diepe indruk. Er werden 13.000 relschoppers gearresteerd en in de boei geworpen. 5000 ontvingen een lichte straf, 1000 lange gevangenisstraf en 9 personen werden ter dood veroordeeld. De Graeff trof harde tegenmaatregelen om het geschokte Nederlandse gezag te herstellen. Bij wijze van administratieve maatregel, exorbitante rechten genaamd, werd 823 gearresteerden een gedwongen verblijfplaats aangewezen in het daartoe opgerichte interneringsoord Boven-Digoel in Nieuw-Guinea. In totaal werden er vanaf 1927 bijna 3000 Indonesiërs, zonder enige vorm van proces, naar  dit concentratiekamp gedeporteerd. Nederland had dus, reeds ver voordat Duitsland en Japan er aan dachten, een oord ingericht waar de gevangenen door de barre omstandigheden van zelf dood gingen. Veel van de geďnterneerden hebben tot 1942, en sommigen zelfs tot 1945 in dit kamp opgesloten gezeten. 

In 1914 werd door de Nederlander Hendricus Sneevliet de Indisch Sociaal Democratische Vereniging opgericht welke in 1920 een communistische partij werd, die haar naam in 1924 veranderde in Partai Komunis Indonesia (PKI).

Een van de oprichters van de Indische Partij, Raden Mas Soewardi Soerjaningrat afkomstig uit de rijen der Javaanse adel, schreef naar aanleiding van de herdenking van het feit dat Neder1and 100 jaar geleden van de Franse bezetting was bevrijd en dat te Batavia groots wilde gaan vieren, het pamflet  “Als Ik eens Nederlander was” . Hij werd daarom in 1913 naar Nederland verbannen, aldaar behaalde hij zijn Europeesche Akte voor onderwijs. Toen hij in Indonesia terugkeerde, richtte hij onder zijn alias Ki Hajar Dewantara het Nationaal Onderwijs Instituut Tamansiswa op, scholen voor de gewone Indonesiër, maar sterk nationalistisch getint. Het succes van deze Taman Siswa was de Nederlanders een doorn in het oog, onderwijs werd immers door het Gouvernement gegeven. Zij vaardigde daarom op 1 oktober 1933 de ‘Wilde Scholen Ordonnantie’ uit waarmede de Taman Siswa verboden werden.

De PKI werd na de opstanden van 1926 verboden, in 1927 richtte Soekarno zijn PNI, Partai Nasional Indonesia. op. Op 29 dec. 1929 wordt Soekarno in Yogyakarta gearresteerd wegens opruiing. Hij wordt veroordeeld tot gevangenisstraf en heeft 1 jaar in de Soekamiskin gevangenis in Bandung doorgebracht, in dec. 1931 komt hij weer vrij. 1 Augustus 1933 wordt hij weer gearresteerd. De Nederlandse overheerser had als instrument om het nationalisme te bestrijden een politieke recherche, de PID (Politieke Inlichtingen Dienst) opgericht. Deze had overal zijn spionnen en informanten, als een soort Gestapo.

In 1934 wordt Soekarno naar Ende op Flores verbannen en in 1938 vandaar, omdat hij aan malaria leed,  naar Bengkoelen overgebracht, waar hij tot de inval van de Japanners verbleven heeft. Ook Mohammad Hatta en Sutan Shahrir worden verbannen, eerst naar Boven-Digoel en later naar het eiland Banda, waar beiden tot in 1942 hebben doorgebracht. Ook hun detentie werd door de Japanse inval beëindigd.

In 1933 geraakte Nederland in grote paniek,  het Inlandse deel van de bemanning  van de kruiser De Zeven Provinciën zou aan het muiten geslagen zijn. In werkelijkheid betrof het echter een arbeidsconflict wegens salarisverlaging. Indonesische bemanningleden verdienden overigens voor hetzelfde werk veel minder dan hun Nederlandse collega’s. Er was vanwege de economische crisis een loonsverlaging doorgevoerd. De regering laat een zware bom op de kruiser gooien, die aan 18 bemanningsleden het leven kostte en 25 werden er gewond . De “muiters” werden gearresteerd en verbannen naar het eiland Onrust in de Baai van Batavia en later tot gevangenisstraffen veroordeeld.

In 1935 wordt Anton Mussert de voorman van de Nederlandse NSB, met groot eerbetoon tijdens zijn bezoek aan Indië, onthaald. De NSB was zeer populair in de kolonie, vooral gesteund door Indo-europeanen, die in sterke leiders geloofden. Mussert heeft vele steden in Indië bezocht, waar de opkomst van zijn volgelingen zeer groot was. Ook wordt hij tot 2 keer toe in officiële audiëntie ontvangen door G.G. De Jonge. Deze was zo overtuigd van de macht van het Nederlands bestuur dat hij tijdens dit bezoek opmerkte: "Als ik met nationalisten praat, begin ik altijd met de zin: Wij Nederlanders hebben hier al 300 jaar met knuppel en knoet geregeerd en we zullen dat nóg minstens 300 jaar blijven doen, daarna kunnen we praten."

Dat Nederland aan de Indonesische verlangens naar grotere vrijheid niet tegemoet wilde komen, bleek opnieuw in 1938, toen de regering de Soetardjo-petitie afwees, waarbij was verzocht om de bijeenroeping van een rijksconferentie, teneinde aan Indonesië langs de weg van geleidelijkheid zelfstandigheid toe te kennen binnen het rijksverband.

Op 10 mei 1940, de dag van de Duitse inval in Nederland werd aan alle bestuursambtenaren de code “Batavia seint Berlijn” doorgegeven. Dit was het teken om alle Duitsers en NSB’ers alsmede sympathisanten van Duitsland te arresteren. Opvarenden van schepen die in de havens lagen, werden ook het slachtoffer van deze maatregel, alsmede Duitsers die al 10-tallen jaren in Indië woonden.  Onder het etiket van “staatsgevaarlijke elementen” werden er enkele 1000’en burgers geďnterneerd. Onder deze mensen zaten ook Oostenrijkers, Tsjechen, Italianen en Hongaren, zelfs missionarissen en verpleegsters. Velen kregen niet eens de tijd om persoonlijke spullen mee te nemen. Een groot aantal van deze personen kwam op het eiland Onrust onder onmenselijke omstandigheden en onder zware bewaking achter prikkeldraad terecht. Een van deze personen,  Robert Frühstuck begaf zich te dicht bij het prikkeldraad en luisterde niet naar het bevel om te keren, hij werd zonder pardon doodgeschoten. Achteraf bleek dat hij doof was, niet alleen dat, hij was ook nog eens een Duitse Jood die enkele jaren daarvoor naar Indië was gevlucht. Er waren op Java meer van deze interneringskampen o.a. te Ambarawa en te Ngawi. Toen de Japanse inval dreigde werden de meest “gevaarlijke” elementen op transport gesteld, om ze niet in handen van de Japanners te laten vallen, want die konden dezen gebruiken voor propaganda. In Januari 1942 vertrekt het schip de “Van Imhoff” vanuit Sibolga met bestemming Bombay te India. 150 mijl uit de kust wordt het schip door de Japanners gebombardeerd en zinkt het langzaam. De bemanning maakt dat ze weg komt in de reddingssloepen, de 473 Duitse gevangenen aan boord kunnen echter geen kant op, zij zaten gevangen in stalen kooien. Onder hen bevond zich o.a de kunstenaar Walter Spies. Uiteindelijk werden er nog 65 gered. Dit voorval kan zonder meer gekwalificeerd worden als ernstige oorlogsmisdaad van Nederlandse zijde. Een ander schip de “Tjisidane” vervoerde 140 van deze gevangenen naar Suriname op dezelfde wijze. In het ruim van dit schip bevonden zich twee op scherp gestelde torpedo’s, die zo waren afgesteld dat deze binnen 20 minuten af konden gaan. Mocht er iets mislopen, dan had de bemanning tijd genoeg om weg te komen.

Op 8 maart 1942 kwam er officieus een einde aan de Nederlandse bezetting van de archipel toen het Gouvernement zich onvoorwaardelijk aan Japan overgaf.  

Toen Soekarno en Hatta op 17 augustus 1945 de onafhankelijke Republik Indonesia proclameerden, kwam dit in Nederland harder aan dan een vulkaanuitbarsting in de duinen. Alsof er voor de Japanse bezetting geen sprake van repressie was geweest, doch, Jan Pzn Coen indachtig, alleen maar grootse daden waren verricht. Nog steeds dacht Nederland dat zij het alleenrecht had op de meedogenloze exploitatie van Indië. Soekarno werd van collaboreren met Japan beschuldigd en dat was in Nederlandse ogen voldoende om hem als ongeschikt voor het leiden van het Indonesische volk te classificeren en tevens niet met hem te onderhandelen. Ook bestond in Nederland, ondanks de door de 2e Wereldoorlog sterk veranderde houding van de wereld tegenover het kolonialisme, nog steeds de gedachte dat alleen Nederland Indonesia leiden kon,  dat Nederland niet zonder Indonesia kon leven, want dat land was de zuil onder het Nederlandse bestaan. “Indië verloren, rampspoed geboren” waren woorden die politiek Den Haag en het Nederlandse volk op de lippen bestorven lagen. Tijdens de oorlog had de Ned. Regering in ballingschap in 1942 nog wel een nieuw koninkrijksstatuut uitgevaardigd, waarin de delen op grond van gelijkheid tot het Koninkrijk der Nederlanden zouden behoren, doch van deze beslissing, die onder dwang van de omstandigheden in elkaar geflanst was, had men in Indonesia, terecht, nog nooit gehoord.

Om het gelijk aan haar zijde te dwingen stortte Nederland zich in de smerigste koloniale oorlog die het land ooit heeft gevoerd, onder de naam ‘Politionele acties’, in Indonesia Agresi Belanda 1 (Operatie Product - 21 juli tot 5 augustus 1947) en Agresi Belanda 2 (Operatie Kraai - 19 december 1948 tot 5 januari 1949) genaamd.  Er gingen meer dan 100.000 dienstplichtigen scheep naar de kolonie, om deze handeling te legitimeren werd zelfs de grondwet gewijzigd. Voor die wijziging mochten dienstplichtigen niet op buitenlands grondgebied de Nederlandse driekleur “verdedigen”. Tijdens 1947 bevonden er zich maar liefst 120.000 Nederlandse militairen op Indonesisch grondgebied. In Nederland waren de protesten hevig, er waren demonstraties die meer dan 100.000 mensen op de been brachten. 50% van de Nederlanders was tegen deze oorlog. Duizenden jongeren weigerden dienst, waarvoor sommigen tot eind 1950’er jaren in het gevang voor hebben gezeten. Nederlandse ex-SS’ers konden hun straf afkopen door in Indië te gaan dienen, waar velen de oogappels van de militaire commandanten werden, hun eraring in “moeilijke situaties” kwam goed van pas.  Heel veel van de verschrikkingen die deze oorlog gekend heeft zijn in Nederland in de doofpot gestopt. Het zou veel veteranen, waarvan er nog heel wat in leven zijn, en de politiek niet goed uitkomen als echt bekend werd wat er allemaal in de Gordel van Smaragd geflikt is, een stinkende beerput. Dagelijks lopen ex-Knillers vele keren naar hun wastafeltje en wassen weer eens hun handen, het bloed echter dat aan die handen kleeft zal er nooit van afgewassen kunnen worden. Op details hoeven we hiero verder niet in te gaan, men kijke slechts naar het aantal slachtoffers in deze oorlog, dat waren er 6500 (2500 militairen) aan Nederlandse zijde en meer dan 100.000 aan de Indonesische kant, onder de laatste vele vrouwen en kinderen, een getalsverhouding die volkomen uit balans is. Op 27 december 1949 werd door Nederland de soevereiniteit over Nederlands Indië aan de Republik Indonesia Serikat (RIS) overgedragen. Die RIS was een Nederlandse constructie waarmee zij nog steeds een stevige vinger in de Indonesische economische bubur konden houden. Ook liet de Nederlandse regering de bevolking van die ex-kolonie met het grootste gemak van de wereld opdraaien voor de bezettings- en oorlogskosten die aan Nederlandse kant waren gemaakt. Tot 1956 heeft Indonesia ruim 600 miljoen gulden van de 4,3 miljard die in rekening was gebracht, aan de voormalige overheersers betaald. Nederland had Nieuw Guinea uit de overdrachtsboedel gehouden, aanvankelijk zou dit in 1949 een Indo-thuisland worden, maar in 1951 werd ineens besloten om de Papua’s vanuit het stenen tijdperk naar moderne beschaving te leiden, haar gedroomde taak van opvoeder van “mindere” volkeren kon Nederland maar niet loslaten, daartoe was altijd al een zigzag beleid gevoerd. Het is echter zonneklaar dat Nieuw Guinea alleen als kolonie bleef bestaan om Soekarno dwars te zitten. In 1962 werd NG overgedragen aan de VN en in 1969 bij Indonesia gevoegd.

Inmiddels werd Nederland vanaf 1945 overstroomd met ex-kolonialen voor wie het leven in de kolonie onmogelijk was geworden, eerst repatrianten,  na de overdracht van de soevereiniteit vele ambtenaren en militairen, zeker bij de laatsten zaten de echte kolonialen en veel Indo-europeanen. In latere jaren nog meer mensen die niet in Indonesia konden blijven wegens sterke anti-Nederlandse sentimenten, die heviger werden doordat Nederland vast bleef houden aan Nieuw Guinea, dit leidde vervolgens tot nationalisatie van Nederlandse bedrijven in december 1957, ook werden de diplomatieke betrekkingen verbroken. Nog meer mensen zochten hun heil in Nederland, w.o. spijtoptanten, d.w.z. Indo-europeanen die spijt kregen van hun keuze voor het Indonesische staatsburgerschap de zgn. Warganegara’s. en zij die in Nieuw Guinea een nieuw bestaan hadden opgebouwd, het leeuwendeel van deze mensen was al eerder uit Indonesia gevlucht. In de ‘50’er en 60’er jaren waren de Indische mensen het voorbeeld van aanpassing en gingen zij vrijwel geruisloos in de Nederlandse samenleving op. In de 70’er jaren kwam daarin echter een kentering, zeer gewelddadige acties van Molukkers, nazaten van KNIL-militairen en een grote intocht van een ander soort mensen uit de kolonie Suriname, deed de houding van zij die uit Indië voortkwamen sterk veranderen. Deze Surinamers, waren veelal van Afrikaanse afkomst, onder hun was de uitdrukking “Ik ben joew soelaaf nie” gemeengoed, zij bleken met hun assertieve houding binnen zeer korte tijd veel bij de regering voor elkaar te krijgen. Dit zette kwaad bloed bij de eerdere golf vluchtelingen en asielzoekers uit Indonesia en ook zij deden meer en meer van zich spreken. We werden uitgebreid geďnformeerd over hun sores en ellende, vooral  de Jappenkampen en de Bersiap-periode werden meer dan overbelicht, de indruk werd gewekt dat de in Nederland verblijvende Indischen het grote slachtoffer waren van zowel de Japanse bezetting als van de zgn. Pemuda’s die uit pure wellust tijdens de Bersiap-periode weerloze Indische Nederlanders vermoord zouden hebben, althans als je de verhalen mag geloven. Tijdens de Japanse bezetting zijn er 8500 Knil militairen en ongeveer 20.000 burgers omgekomen. Nooit hoort men het aantal slachtoffers aan Indonesische zijde noemen, dat zijn er vier miljoen geweest. Zij werkten als romusha (dwangarbeider), Ian Fu (“troostmeisje” of dwangprostituee voor de Japanse militairen) en waren verplicht het grootste gedeelte van de rijstoogst aan de Japanners af te dragen wat tot hongersnoden leidde. De slachtoffers in de kampen waren in het algemeen blanke Nederlanders, veel Indo-europeanen konden buiten de kampen blijven. Er was sprake van collaboratie met de Japanners, uiteraard leest men dit niet terug in de verhalen die ons voorgehouden worden. Naarmate de tijd verstreek zaten ze allemaal aan de goede kant, en zelfs in het verzet, waarvan in Nederlands Indië nauwelijks sprake was, zeker niet bij de Indo-europeanen. Wellicht verwacht men met deze leugens een leuk plekje in de hemel te verdienen. Zoveel jaren na de gruwelijke zaken die geschied zijn horen we slechts  verhalen van slachtoffers, de daders leggen diep begraven op het kerkhof.
 
De opsomming hierboven bestaat veelal uit feiten die in de 20ste eeuw hebben plaatsgevonden. Een ieder die pretendeert iets over Indonesia te weten, zou deze uit het hoofd moeten kennen, dit is een belangrijk deel van de moderne geschiedenis die tussen Indonesia en Nederland gedeeld wordt. In de eeuwen voor de 20ste eeuw is er natuurlijk veel meer gebeurd, maar de kennis van dit deel van de geschiedenis vraagt ook een dieper historisch inzicht, omdat het denken in die tijden nogal verschild van het hedendaagse. We kunnen niet verwachten dat bij een gemiddeld persoon deze kennis aanwezig is, daarom beperkt dit stuk zich tot onze tijd. Na deze zeer lange inleiding is nu het moment gekomen dat de koloniale lijn naar het heden wordt doorgetrokken. In Indonesia zijn de gevolgen van eeuwen koloniale overheersing tot op de dag van vandaag te merken. Het land is niet alleen door Nederland 350 jaar lang geknecht, daarvoor waren het ruim 80 jaar de Portugezen, die als eerste Europese macht voet aan wal in Indonesia zetten. Ook hebben Indiërs, Perzen, Arabieren en Chinezen een belangrijk stempel op het land gedrukt. De Chinezen dreven al vanaf de 6e eeuw, waarschijnlijk nog eerder, handel in Indonesia en hadden zich reeds vroeg in de kustplaatsen aan riviermondingen gevestigd, en oefenden zo een zekere controle op de lucratieve export uit.Van al deze vreemde culturen zijn sporen te vinden in alle lagen van de samenleving, doch de littekens die de Nederlanders hebben achtergelaten zijn het meest recent, het diepst en het grootst. Door de eeuwen heen is er door de Nederlanders gemoord, mishandeld en uitgebuit, de Inlanders werden eerder als beesten gezien dan als mens. Men zou eens moeten lezen wat er aan het begin van de 20ste eeuw met de koelies in Deli gebeurde, deze werden door de overheerser ook “koeliebeesten” genoemd. Afijn iedereen heeft de mogelijkheid om zich op de koloniale geschiedenis te oriënteren, geen betere plek dan Nederland, bibliotheken vol over “Tempo Doeloe”. Niet het Tempo Dulu zoals dat geschilderd wordt door de Indische Nederlanders, waarin zij beweren dat zij het waren die de belangrijke rol in het geheel speelden. Het tegendeel is waar, de belangrijke rol van de Indo-europeanen was reeds omstreeks 1920 afgelopen, toen kwamen er steeds meer Nederlanders naar de kolonie en de Indonesiërs de baantjes die van oudsher door Indo’s vervuld werden overnamen, gewoon omdat dat goedkoper was. De verhouding tussen Indonesiërs en Indo-europeanen werd toen veel slechter, de Indonesiërs zagen deze Indo’s als landverraders, vanwege hun houding “likken naar boven en trappen naar beneden”. Als men de zaak objectief bekijkt is het ook niet erg logisch dat je kant van de bezetter van je geboorteland kiest, en de inwoners van dat land als “inlander” beschouwd, in de negatieve zin van de betekenis van dit woord. Dit heet collaboratie, een vergrijp waar in veel landen ernstige straffen op staan, want het is niet meer of minder dan landverraad.

Toen begin ’70 jaren de betrekkingen tussen Nederland en Indonesia weer waren opgeklaard, en er meer welvaart in Nederland was bereikt, ontstond er ineens bij velen de behoefte om dit land eens te gaan (her)zien en kwam langzaam het toerisme op gang. Eerst was dat uit nostalgie, maar uit de vele verhalen waarmee men terug kwam is de 80’er jaren het massatoerisme geboren. Nederland werd overstroomd met wayangpoppen, batikoverhemden en meer van die kitsch. Indo’s gingen zich opwerpen als de grote kenners van Indonesia, wat mede bijgedragen heeft aan het valse romantische exotische beeld dat er heden van dit land bestaat.  Zij die ooit in Indië verbleven zijn hun herinneringen gaan opschrijven, er verschenen 100-tallen boeken, de een nog mooier dan de ander waarin de Gordel van Smaragd op suikerzoete wijze geromantiseerd wordt. Indonesia had het tij mee, want door de olieboom en economische vooruitgang onder Soeharto, kreeg het land een goede naam, ook bij de investeerders,  onder voorzitterschap van Nederland werd de ICGI werd opgericht om  Indonesia op een hoger economisch plan te brengen. Begin 90’er jaren ontstond er weer een grote kentering in de relatie Nederland-Indonesia omdat minister Pronk het toen niet na kon laten zich met interne Indonesische aangelegenheden te bemoeien en verbrak Indonesia eenzijdig de ontwikkelingsrelatie met Nederland, de Nederlandse politiek was verbouwereerd door deze houding. In die zelfde jaren was er wel een opkomst van een jonge generatie historici die op een meer objectieve wijze met de koloniale geschiedenis omgingen en deze niet meer uit een strikt Nederland-heeft-altijd-gelijk standpunt gingen beschrijven. Eindelijk kwamen de minder “grootsche” daden, die in Indië door JPz. Coen, en kornuiten waren verricht ook aan bod. De generatie die na de 2e wereldoorlog is geboren hoeft natuurlijk niet gebukt te gaan onder de fouten die door hun voorvaderen zijn gemaakt, maar doen er goed aan niet meteen te beamen dat de kreet “waarin een klein land groot kan zijn” ook werkelijk een diepere betekenis heeft en niet slechts wordt gebruikt om een minderwaardigheidscomplex van een klein volk te verhullen.

Tot besluit een citaat van M. Hatta. In 1927 werden de in Nederland studerende Mohammad Hatta tezamen met Nazir St. Pamontjak, Ali Sastroamidjojo, en Abdul Madjid Djojoadiningrat wegens opruiing gearresteerd en hebben bijna 6 maanden in voorarrest gezeten. Op 22 Maart 1928 werden Mohammad Hatta en zijn drie medestudenten voor de rechtbank in Den Haag vrijgesproken van de beschuldiging van opruiing tegen het koloniale gezag in het blad Indonesia Merdeka van de studentenvereniging Perhimpoenan Indonesia. De rechtbank maakte daarbij een duidelijk onderscheid tussen radicale uitlatingen op zich en het aanzetten tot gewelddadigheden.

Uit zijn verdedigingsrede:

"Jaar in, jaar uit hebben de Indonesiërs onder deze koloniale hypnose geleefd, totdat zij ten slotte ook geloofden aan de eigen onmacht en aan de onmisbaarheid van de overheerser om leiding te geven. .... Dag in, dag uit wordt er op gehamerd, dat de Indonesiërs niet de capaciteiten bezitten om leiding te geven, dat zij niet in staat zijn om initiatief te nemen, zodat zij van hun geboorte af voorbeschikt zijn om onder Europese leiding te werken."

(Hatta 1952, p. 278) verdedigingsrede, "Indonesië vrij", in Verspreide geschriften (Vol. 1, pp. 210-308).

Jakarta: Penerbitan dan Balai Buku Indonesia

Sekian

Londoh

 

Van Rob Kramer ontving ik onderstaande interessante reactie:
 
Ik heb je nieuwe geschiedenisartikel ‘Exorbitante Rechten’ met genoegen gelezen. Voor een groot gedeelte deel ik je visie. Toch heb ik wat opmerkingen/aanvullingen.

Ten eerste schrijf je dat Boedi Oetomo een massaorganisatie was. Ik waag dit te betwijfelen. Boedi Oetomo was een organisatie van de lagere priyayi, enthousiast gesteund door het koloniale bewind. Veel meer dan een naam was het niet. In Ricklefs woorden: "Budi Utomo stagnated almost from the very beginning, being short of both money and dynamic leadership…..The bureaucratic elite of Java were too concerned about their careers and too divided by social distinctions from each other and the masses to play a dynamic role." (M.C. Ricklefs, A history of modern Indonesia c. 1300 to the present (1981) p. 157). Boedi Oetomo’s impotentie valt temeer op als men de organisatie vergelijkt met de Sarekat Islam, die een echte massa-organisatie was.

Wat je schrijft over de ‘Wilde Scholen Ordonnantie’ (of ‘Toezichtordonnantie particulier onderwijs’ zoals deze officieel heette) trok ook mijn aandacht. De ordonnantie verbood geen onderwijs, maar stelde dat een leraar in het particulier onderwijs vooraf aan zijn werkzaamheden schriftelijke toestemming nodig had van de koloniale overheid. De toestemming zou, zo stelde de ordonnantie, ondermeer dienen af te hangen van de betrouwbaarheid van de kandidaat, van zijn mogelijke gevaar voor de openbare orde en van zijn kwalificaties. Tegen de ordonnantie kwam veel verzet, niet alleen van de Taman Siswa scholen, maar ook van het Islamitisch onderwijs. Er werd opgeroepen om passief verzet te bieden door geen toestemming aan te vragen. Het Gouvernement schrok hiervan zo dat de ordonnantie in februari 1933 ‘tijdelijk’ werd ingetrokken en werd vervangen door een ander waarin de noodzakelijke toestemming vooraf alleen gold voor leraren uit de Europese bevolkingsgroep die les wilde geven aan Inlanders en Vreemde Oosterlingen. Alle anderen hadden slechts een meldingsplicht. Kortom, de ‘Wilde Scholen Ordonnantie’ leidde niet tot een verbod van onderwijs. Het was, denk ik, juist een van de zeldzame gevallen waarin de koloniale overheid inbond na verzet vanuit nationalistische en islamitische hoek.

Overigens was lang niet al het onderwijs in handen van de koloniale overheid. Zo verzorgde bijvoorbeeld Moehammadijah in de jaren voor 1942 onderwijs op Islamitische grondslag, naar analogie met het bijzonder onderwijs vanuit katholieke en christelijke hoek. In 1929 waren er onder de vlag van Moehammadijah 64 volksscholen, 5 vervolgscholen, 8 tweede-klassescholen, 3 Hollands-Inlandsche Scholen (HIS), 2 schakelscholen, 5 normaalopleidingen en 2 kweekscholen. Dit waren enkel nog de scholen die onder het hoofdbestuur vielen. Ook lokale afdelingen droegen zorg voor onderwijs. De meeste van de Moehammadijah-scholen werden gesubsidieerd door de koloniale overheid.

Dit brengt me op iets anders. Ik vind de onderdrukking van de gerechtvaardigde verlangens van de nationalistische beweging niet zo opmerkelijk. Rust en Orde was, ondanks alle Ethische bevlogenheid, immers altijd een hoog te houden koloniale norm geweest. Nee, wat mij altijd weer verbaast, is die enorme regel- (en bemoei-)zucht van het koloniale gezag in Indie na 1900, en de toen vrij gangbare opvatting dat Indie door al die inspanningen een modelkolonie was, of in ieder geval bezig was te worden.

Of in de woorden van G.G. De Graeff in mei 1928: "Alleen toch bij rust en orde wordt de regeering de gelegenheid gegeven om metterdaad de overtuiging te vestigen en te bevestigen, dat de Nederlandsche leiding, welke hier te landen nog voor een onafzienbare toekomst niet kan worden gemist, de hooge taak vervult om geluk en welvaart onder de bevolking te verspreiden, en haar maatschappelijk, economisch en staatskundig geleidelijk op te heffen tot een zoodanig peil, dat de effectieve Nederlandsche leiding kan worden ontbeert." (F.W. Stapel, Geschiedenis van Nederlandsch-Indie (Amsterdam, 1930) pp 340-341)

De voortreffelijkheid van het koloniale bestuur was geen praatje voor de vaak, het werd in bestuurskringen echt geloofd! Er werd ook naar gehandeld en dit leidde tot heftige conflicten binnen de Europese bevolkingsgroep, en tussen het BB en particulieren (planters). Enkel de aandacht vestigen op de repressieve kanten van Nederlands-Indie vertroebelt, denk ik, het begrip van de koloniale dynamiek tussen 1900 en 1930.

Ook verbaas ik me altijd weer over het beperkte gezichtsveld van de Europese groep. Men kon zich eenvoudig niet voorstellen dat ‘Inlanders’ in staat waren tot het goed bestuur van de kolonie. Zo konden Indonesiërs met een academische titel niet instromen in het BB, maar werden geparkeerd in de koloniale departementen. Hatta heeft eens verhaald over een tentamen economie dat hij in Rotterdam aflegde. De hoogleraar ondervroeg hem slechts over concrete zaken spelend in Indie omdat hij zich door een ‘Indie-kenner’ had laten overtuigen dat Inlanders niet in staat waren tot abstract denken!

Dat beperkte gezichtsveld uitte zich ook in een steeds wijder wordende kloof tussen het idee van Nederlands-Indie als modelkolonie en de realiteit van repressie en sociaal-economisch verval na 1930. Het Nederlands gezag werd star legalistisch, en opereerde totaal losgezongen van de werkelijkheid. Oprechte pogingen vanuit Indonesische hoek om de kolonie te redden van de naderende Japanse storm werden weggewimpeld. De behandeling van de petitie Soetardjo is illustratief. Soetardjo was geen nationalist, maar een loyale bestuursambtenaar. De petitie werd door de Volksraad aangenomen, maar van een negatief G.G. advies voorzien voordat het richting Nederland ging. Zelfs nationalistische leiders waren bereid om de kolonie te verdedigen bij een oorlog met Japan, mits enige gematigde hervormingen zouden worden doorgevoerd. Er werd niet op ingegaan. Zou het iets typisch Nederlands zijn om zo ziende blind en horende doof te zijn?

Over de periode na 1942 zie ik bepaalde zaken toch anders. Nederlanders en burgers van geallieerde staten werden geďnterneerd. Het is mij te makkelijk om dit af te doen met ‘een koekje van eigen deeg’. De mortaliteitcijfers zijn van de interneringskampen zijn bijvoorbeeld veel hoger dan die van Boven-Digoel. In absolute cijfers valt het aantal Nederlandse oorlogsslachtoffers in het niet bij het aantal Indonesische slachtoffers, Echter, afgezet tegen de cijfers van het totaal aantal Europeanen c.q. Indonesiërs in de kolonie, kent de Europese groep een hoger mortaliteitscijfer. Daarbij, de internering van burgers, samen met de dwangarbeid van de krijgsgevangenen., was een inbreuk op het geldende oorlogsrecht, of met andere woorden: was een oorlogsmisdaad.

Wel geef ik je gelijk dat de herinneringsliteratuur, enige belangwekkende uitzonderingen daargelaten, geen goed beeld geeft van de Japanse tijd. Maar al te vaak wordt eigen lijden uitvergroot, worden verhalen van horen zeggen worden gepresenteerd als eigen ervaringen, is er geen oog voor nuances, worden zaken die zich niet voegen in het eigen slachtofferschap genegeerd en verdwijnt de Indonesiër uit beeld. Soms worden er zelfs bewust leugens verteld. Er is een vreemd bouwwerk van ‘Japanse ervaringen’ ontstaan door het refereren aan onbetrouwbare literatuur bij nieuwe boeken vol ‘eigen’ herinneringen. Feit en fictie zijn hecht met elkaar verweven geraakt in dit bouwwerk.

Met betrekking tot de bersiap-periode zie je iets dergelijks ontstaan. Dit neemt niet weg dat in de laatste maanden van 1945 Indo-europeanen werden vermoord door pemuda’s. Dit is uitvoerig gedocumenteerd op basis van contemporaine bronnen, en ik zie geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Het precieze aantal is niet bekend, maar Hans Meijer noemt in zijn studie ‘In Indie geworteld. De twintigste eeuw.’ een getal van 3500 Nederlandse doden en 2000 vermisten. Hiernaast werd een mij onbekend aantal Chinezen, Molukkers en Christelijke Indonesiërs slachtoffer. In feite was iedereen wiens loyaliteit aan de Republiek kon worden betwijfeld, zijn leven niet zeker. Slachtoffers werden niet ‘objectief’ gekozen. Allen die voorhanden waren, konden slachtoffer worden. Het latere meedogenloze optreden van het KL en, vooral, KNIL maakt de bersiaptijd niet minder gruwelijk voor degenen die toen doodsangsten hebben uitgestaan.

Maar zoals gezegd, ik vond het een aardig artikel. Ik ben alleen bang dat je de spreekwoordelijke paarlen voor de zwijnen werpt: tegenwoordig is het historische belangstelling met betrekking tot het eigen land al zo laag, dat de gedeelde geschiedenis met Indonesië helemaal buiten het blikveld van de meeste Nederlanders valt…

Salam

Rob

 

Solo 16 februari / 21 april 2006

 

Solo 6 maart 2006
© 2006 design by londoh

Terug naar INDEX