|
Ruim
anderhalf uur te laat dendert de Lodaya Express van
Bandung naar Solo Balapan de door hujan grimis grijs
gekleurde buitenwijken van Surakarta binnen.
Vertragingen in het spoorwegverkeer op Java zijn aan de
orde van de dag. Er loopt over dat eiland een enkelspoor
daterend uit de Nederlandse tijd, slechts bij stations
liggen meerdere sporen waar snelle treinen de langzame
voorbij kunnen. Een vertraging van 1 trein heeft
onmiddellijk gevolgen voor het treinverkeer op het hele
eiland. Ik haal m’n mobieltje tevoorschijn en bel
Kosti om een taksi te bestellen en te vragen me voor het
station op te pikken. Tungguh sementar Pak, terimah
kasih. Daar gaan de kwekerijen van de Pasar Bunga
voorbij, die tussen de vele rails van het
stationscomplex Solo Balapan zijn gevestigd, dat was
vroeger een station voor goederentreinen, maar heeft
tegenwoordig de functie om alle exprestreinen die op de
zuidelijke lijn door Java rijden te bedienen en zijn de
vele rails om te rangeren in onbruik geraakt. Dan komt
de oude houten watertoren voor de stoomlocomotieven in
zicht, en glijdt het station langzaam nader. Door de
deuren wringen zich bagagekoelies,
er zijn echter nauwelijks passagiers, ik heb de
hele reis in een lege wagon gezeten en me vermaakt met
het treinpersoneel, dat ook niets bijzonders te doen had
vanwege de stilte en mij inmiddels kent vanwege mijn
veelvuldige reizen van en naar het westen van Java. Het
is niet zo moeilijk om onthouden te worden als je een
witte kop hebt en tussen een volk van bruintjes woont.
Als
de trein eenmaal tot stilstand is gekomen volgt het
gebruikelijke gedrang bij de deuren, om uit de trein te
komen, iedereen wil als eerste thuis zijn. Het valt mee
want er stapt niemand in, Solo Balapan is het
eindstation. Gelijktijdig in- en uitstappen kan tot
complete oorlogen leiden. Daarna de sloffende
slakkengang over het te smalle perron op weg naar de
uitgang. De uitgang wordt versperd door tukan beca,
wijzend met de duim en vragend….beca?….beca?….
beca?…één keer weigeren is niet genoeg, je moet ze
allemaal persoonlijk een aantal keren weigeren en dan
snappen ze nog niet waarom je loopt. Voorbij de haag van
tukan beca komen de bezitters van illegale taxi’s die
menen dat er aan een rijke westerling veel te verdienen
is. Ik vervolg mijn weg en ga voor het station staan.
Het stationsplein van het station Solo Balapan is
omzoomd door een hoog hek, daarbinnen is een
parkeerplaats, waarvoor betaald moet worden. Bij de
ingang staat een houten hok met ramen waarin de
parkeerwachten zitten. Het parkeren van een auto kost
1500 Rp, daarvoor moet men een bonnetje krijgen, doch de
meeste chauffeurs geven 1000 Rp zonder bonnetje te
ontvangen, in dat hok wordt goudgeld verdiend. De legale
taxi’s staan buiten de hekken en moet men vanaf het
station een paar honderd meter slepend met zijn bagage
lopen om en taxi met argometer te bemachtigen, tijdens
die lange tocht steeds beca….beca….beca… weigeren.
Voor het station binnen de hekken staan alleen illegale
taxi’s, ongetwijfeld nauw samenwerkend met de
parkeerwachters. Ook enkele andong een door één of
twee paarden getrokken rijtuig, het transport van jaren
her maar dat nog steeds in Solo wordt gebruikt. Terwijl
ik op mijn taxi sta te wachten probeert een sopir van
een taksi gelap mij nog even in het jowo-engels, ik
zwijg mijn taxi komt eraan. Ik zie de sopir van daarnet
op de taxi afgaan en hij wil het de taxi moeilijk maken,
rijstroof door legalen ? Ik loop op de situatie af en
vraag : Ada masalah Mas ? Hij krimpt ineen, mijn
gebiedende toon doet hem denken aan de duistere
koloniale dagen van de kompeni en hij maakt zich snel
uit de voeten. Ik stap in de taxi en noem mijn
huisadres.
Voor
de deur zoek ik mijn sleutel tussen de vuile
onderbroeken in mijn koffertje, steek ‘m in de deur en
ga naar binnen, het ziet er daar uit als in een
showroom. Mijn nieuwe pembantu heeft op het huis gepast
tijdens mijn afwezigheid en de kans gegrepen het huis
een goede beurt te geven. Als men niet thuis is in
Indonesia wordt het huis toch smerig, ten eerste stof
dat door alle kieren en gaten binnen komt. De kozijnen
hebben boven een open ruimte vanwege de hitte hiero, zo
is er ventilatie. Dan zijn er de schijtende cicak en
tokeh en mieren natuurlijk. De tegelvloer in het huis is
op zand gelegd, dat schijnt een perfecte woonplaats te
zijn voor semut api, want kurkdroog. Af en toe komt er
een heel leger naar boven op zoek naar een nieuwe
vestigingsplaats, binnen een aantal dagen kan de vloer
dan helemaal rood zien. Even de spuit erover en ze zijn
weg. Niet te lang wachten, het zijn vleeseters en bijten
ook graag in grote witte voeten die zij op grote afstand
binnen tienden van seconden weten te lokaliseren. In een
schoon huis aankomen geeft voldoening en ben ik weer erg
tevreden met Salama, die nog niet zo lang bij me werkt.
Zij is van Menado en dat is een heel ander volk dan de
Javanen, zijn veel meer westers georiënteerd, niet voor
niets werd Menado vroeger de 12e propinsi van
Nederland genoemd, omdat de Menadonezen 100 %
pro-Nederlands waren. Eindelijk eentje die weet wat ze
moet doen zonder dat je voor alles instructies moet
geven. Ze woont dicht bij, dat is ook praktisch. Ze
hoeft eigenlijk niet te werken, maar is bang dat ze lui
wordt, dat is wel een beetje te zien aan haar overdadige
figuur. Zij en haar man hebben een fietsenstalling
tegenover een grote meubelfabriek en ook vlakbij de plek
waar de bussen naar de stad passagiers innemen. Zij
hadden daar een stuk grond en hebben ze een klein huisje
van triplex gebouwd om te slapen. De rest van het erf,
waar een groot huis had kunnen staan is een groot afdak
geworden waaronder de fietsen staan. Het stallen kost
500 Rp. Als je iedere dag stalt, 400. Er staan honderden
fietsen en brommers van mensen uit de desa, die in de
meubelfabriek werken of in de stad hun baan hebben of
naar school gaan. Ibu Salama komt op een brommertje,
geen goedkope Chineze maar een echte Honda, ze heeft ook
een mobieltje, heel modern allemaal. Allemaal
overgehouden van mensen die hun stallinggeld niet konden
betalen of in geldnood zaten. Ze doet graag boodschappen
voor me met dat brommertje en weet zij natuurlijk
allerlei dingen voor weinig geld te verkrijgen. Haar
voornaamste kwaliteit is haar eerlijkheid, je kan rustig
pakken geld op tafel laten leggen, ze zal er niet eens
naar kijken. Meestal moet je heel erg oppassen met die
hulptroepen op Java, het werken bij iemand in huis wordt
meestal gecombineerd met een uitgebreid onderzoek van
alle kastjes, laatjes en broekzakken, zo ben ik
inmiddels al het een en ander kwijtgeraakt, maar ook
dingen gevonden die ik allang kwijt was. Inmiddels heb
ik al heel wat van die dames aangenomen en ontslagen die
mij eerder aanklampten of ik asjeblief werk voor hun
had. Aan de meesten bewaar ik een minder mooie laatste
herinnering, met, of liever om, sommigen heb ik ook
danig moeten lachen. Ik moet eigenlijk ook om Salama
lachen want ze heeft al twee keer eerder voor me gewerkt
en is twee keer onverwacht vertrokken, zomaar, geen zin
meer.
Een leuke was Ibu Siti, zij kwam uit een desa verderop,
een struise vrouw van tegen de 40. Zij sprak nauwelijks
bahasa Indonesia, maar meestal Ngoko of laag-Javaans,
wat de communicatie zeer bemoeilijkte daar ik niet meer
dan 10 woorden Javaans machtig ben en dan nog wel Kromo.
Ibu Siti woont in de desa hier 3 km verderop, een plek
tussen de sawa en waar alle “rijkere” mensen nog in
traditionele, vaak oude djati huizen wonen, sommige erg
mooi. Het allergewoonste volk woont daar in bambu hutjes
met wanden van bilik, de vloer van aangestampte aarde,
de erven afgeperkt met wit gekalkte van boven gepunte
bambu hekken. In dit soort desa heeft de tijd
stilgestaan, het is onduidelijk hoe de mensen leven, het
lijkt allemaal even armoedig. Velen werken op het land
met methoden die dateren van duizenden jaren her.
Sommigen werken buiten de desa, in de stad, een paar
gelukkigen hebben hun geluk in Jakarta gevonden een
enkeling zelfs verder in het buitenland, Singapore,
Malaysia of Saudi-Arabie, deze gelukkigen sturen geld
naar het thuisfront. Vaak wordt daar een stenen huis van
gebouwd, van lage kwaliteit, want steen heeft meer
status dan bambu. Dan wordt er natuurlijk links en
rechts geleend, elke desabewoner heeft meer schuld dan
hij in zijn leven ooit zal kunnen terugbetalen, lenen is
zo een beetje de nationale hobby in Indonesië. Toon mij
de Indonesiër die geen schulden heeft. De nationale
schuld alleen al bedraagt miljarden US$, die is al zo
groot dat deze in een mensenleven niet terug te betalen
is, zelfs niet door een in wezen rijk land als Indonesia.
Maar dat is misschien de bedoeling van het Westen, ze
hebben Indonesia gekocht, voor een koopje Het zelfde als
de woekeraars hier doen, ze lenen zoveel uit dat de
mensen hun schulden niet meer kunnen terug betalen, zo
raken ze hun bezittingen kwijt, hun grond, hun huis, hun
jonge dochters. En die desabewoners maar denken dat als
je veel schuld heb je veel vrienden hebt , want je bent
altijd aan het kletsen met anderen over het terugbetalen
van hetgeen dat zover boven je oren uitsteekt. Gelukkig
zijn Javaanse oren vaak heel groot dat maakt de ruimte
daarboven ook vrij eindeloos.
Als
men Ibu Siti ziet werken dan wordt het snel duidelijk
dat zij zelf in de desa een uiterst simpel huishouden
bestiert. De borden en de glazen wast zij met haar
handen en vingers af, al kletsend, ondanks dat er
borstels en schuursponsjes liggen. Pannen schuren is
haar hobby, daarvoor gebruikt zij niet de Vim die
daarvoor staat, maar abu padi, de as van de verbrande
padi, het werkt maar stinkt ook erg. Zelfs als er net is
water gekookt ze zal het weggieten want de ketel en de
thermos moeten ook schoon. De vorken en lepels gaan per
bosje tegelijk, rutsj, rutsj, rutjs. Als je een bord,
glas of lepel nodig hebt, verdient het aanbeveling om
deze nog eens af te wassen, want er kleeft van allerlei
recente en misschien minder recente historie aan. De
vloer, dat is een specialiteit op Java, de vloer moet
brandschoon zijn, want men ligt daar graag tezamen met
het talrijke kroost en inwonende familieleden. Dat
terwijl de grond tevens als onrein wordt beschouwd. Dus
wordt de sapu er door heen gejaagd, in het schelle
zonlicht ziet men wolken stof dat traag als stuifsneeuw
op de kasten en meubels neerdaalt. Wordt niet naar
gekeken, evenals alles boven ooghoogte, bijvoorbeeld
grote spinraggen aan het plafond. Is de vloer eenmaal
geveegd dan gaat Ibu Siti op de knieën om de grond te
dweilen, in de emmer een bodempje water, dat al snel
zwarter dan zwart ziet, maar natuurlijk niet zo zwaar
als een half gevulde emmer. Schoonmaakmiddel wordt niet
gebruikt, want daar doen ze in de desa niet aan. Over
“onder de kasten” en “achter de bank”
rep ik maar niet, onbegonnen werk, wordt niet
begrepen. Intussen kletst Ibu Siti honderduit en lacht
daarbij veel, om haarzelf. Ze schijnt een ellendig leven
te hebben, susah terus, met een man zonder werk die als
hobby vreemdgaan heeft, met goedkope meisjes. Haar zoon
van 19 werkt ook al om aan het gezinsbudget bij te
dragen en dan heeft ze nog een dochter van 17 haar
oogappel, die zit nog op school, een administratieve
opleiding en op haar is alle verwachting voor de
toekomst gefixeerd, want met haar toekomstige opleiding
zou zij in Jakarta kunnen gaan werken en zou alle
financiële susah van het gezin voorgoed ten einde zijn.
Toen Ibu Siti pas bij mij kwam werken was ze verbaasd
over het feit dat ik niet getrouwd ben, dat is niet
normaal in Indonesia waar het huwelijk het meest sacrale
is wat er te bedenken valt in het menselijke leven.
Ze praatte al gauw erg veel over die dochter, hoe
knap en slim die wel was, echt wat voor Mister. Nou
Mister niet gezien, wat moet een vent van over de 50 met
een meisje van 17, zou een Westerling zeggen, dat ligt
even anders in Indonesia. Oudere mannen op Java willen
niets anders dan zo een ABG (Anak Baru Gede) als 2e of
3e echtgenote, slechts een kwestie van onderhandelen met
de Ibu. Hoeveel wil je dr voor hebben?
Voor 2 –3 miljoen Rupiah ben je koopman, je
trouwt met haar, je gebruikt haar, geeft haar een kind
en dan stuur je haar weer weg, eerst even scheiden
natuurlijk, anders heb je allerlei moeilijkheden met
verantwoordelijkheid
voor levensonderhoud en zo. De reden tot scheiding is
niet moeilijk te verzinnen, te groot leeftijdsverschil,
de echtelieden kunnen daardoor niet overweg. De man
wordt altijd in het voordeel gesteld in zulk soort zaken.
Ibu Siti bleef maar over haar dochter zeuren, ik gaf
haar wel eens wat tijdschriften, meegenomen van
vliegreizen, daarvan beweerde ze dat ze die aan haar
dochter had gegeven en die vond dat zo fantastisch. Daar
maakte ze werkstukken voor school van, “Zit ze dan op
de kleuterschool Bu ?”; vroeg ik dan. “Nee, op de
SMEA”. Toen ik haar eens opdroeg om een kast schoon te
maken, kwamen er wat pasfoto’s van mij tevoorschijn,
meteen: “Minta satu, untuk annakku”. De volgende dag
vertellen hoe geweldig die dochter dat wel vond, net een
bintang pilem die Mister. Ik werd een beetje naar van
dat gezeur en wou ik er wel vanaf. Ik ging eens een
praatje met Ibu Siti maken. “Bu ik wil het even over
je dochter hebben”, haar aandacht was volledig
getrokken. “Kan je vanavond niet samen met je dochter
hier langskomen ?” “Hoezo Mister?”
“Nou ik wil haar proberen”. “Proberen
Mister?” vroeg zij enigszin geschrokken. “Ja
proberen”. “Hoe bedoelt U dat ?” “Nou U komt
vanavond met Uw dochter en dan ga ik met haar slapen, U
gaat dan in de logeerkamer, voor alster wat is, dan kan
ze U roepen”. “Maar dat kan helemaal niet, tidak
bisa”, zei Ibu Siti. “Kan niet?” “In het westen
zijn we als de dood dat we een kat in de zak kopen en
willen we wel weten wat voor vlees we tussen de lakens
hebben. En trouwens als het lekker is mag ze elke avond
komen en hoeft Mammie niet mee” Ze liep snel weg en
ging verwoed en in zeer hoog temo met het strijkwerk
verder. Ik heb haar nooit meer over haar dochter
gehoord, ze zal wel gedacht hebben, smerige adat hebben
die Barats toch.
Af en toe bracht Ibu Siti
kampongheerlijkheden mee, zoals vers geplukte
nangka, dat is heel wat lekkerder dan die nangka’s die
al een week in de zon op de pasar leggen stoven. Haar
specialiteit was kerak nasi,
dat is in simpel Nederlands aangebrande rijst,
maar zo simpel is het toch niet. Als men rijst in een
gewone pan kookt dan blijft er vaak een laag vast aan de
bodem koeken. Als de rijst uit de pan gehaald is wordt
deze koek eruit gewipt en gedroogd in de zon. Als ie dan
droog is wordt ie geroosterd en dat wordt met gula jawa
gegeten. Ik moest daar in het begin erg om lachen als
niet-wetende westerling, wie eet er nou aangebrande
rijst? Ik zie me al aangebrande aardappelen eten. Als de
piepers in het lage landje aanbranden is dat vaak
aanleiding voor een gezinstwist en een motie van
wantrouwen aan het adres van de kok.. Doch tegenwoordig
ben ik gek van kerak nasi, is echt lekker en een
bijzondere specialiteit. Overigens moest Ibu Siti altijd
een gedeelte van het fruit hebben als ik eens wat aan de
deur kocht uit medelijden met een zielige venter. Ze lag
altijd dubbel van mijn getawar, ik ben niet goed in het
tawarren om zulke futiliteiten en betaal met een gerust
hart het dubbele van prijs die Ibu Siti bedongen zou
hebben. Het interesseert me niet, een uur tawarren om
iets 5000 Rp goedkoper te krijgen en daar een heel
toneelstuk van gespeelde woede wegens vermeende
afzetterij bij op te voeren, weglopen, schampere
opmerkingen over de kwaliteit van de handel maken. In
zoiets moet je echt zin hebben.
Het
wassen van Ibu Siti leek ook wel enigszins op een
waterballet, met als ingrediënten, een paar emmers, de
kraan wijd open, een gezinspak “Rinso” en het vuile
goed. Dat goed verhuisde dan van de ene emmer naar de
ander, de vuiligheid wordt er uitgeborsteld met een
harde borstel en een wasbord van plastic. Zeker de
boorden van overhemden zijn
aan veel zinloos geweld onderhevig. Een mooi
overhemd heeft in Indonesia een levensduur van een paar
maanden, want dan worden de boorden al behoorlijk veel
lichter. Het praatje gaat in Indonesia dat je met een
mesin cuci de was niet schoon krijgt. Ibu Siti kwam
altijd op een oude blauwe fiets, van het merk “
Phoenix” een chinees product waar heel Midden-Java op
rijdt, want de goedkoopste. Dit merk rijwiel verschaft
werkgelegenheid aan tienduizenden fietsenmakers. Aan
deze fiets zaten er allerlei oude binnenbanden en
stukken touw vast voor het geval Ibu Siti onderweg iets
tegenkwam dat nog te gebruiken was en dat was bijna
alles. Ook verkocht ze ’s morgens in alle vroegte
zelfgemaakte jamu.Wat spulletjes die nog te gebruiken
waren betreft kwam ze bij mij in een paradijs te werken,
want ik ben nogal een liefhebber van weggooien en wordt
er bij mijn vullisbak door kampungbewoners regelmatig
gewinkelt, die dan prompt ruzie krijgen met de tukan
sampah want die claimt het alleenrecht op de vuilnis. In
Indonesia is alles wat reeds gebruikt is geld waard,
oude kranten voor verpakkingsmateriaal van eten, eerst
een daun pisang, dan een krant en dan een kantong
plastik. Lege bierflessen worden door de kecap industrie
hergebruikt, karton en dus-dus voor recycling. Alles wat
van plastic is ook, emmers, verpakkingen, flessen, dit
brengt allemaal geld op. In het Westen verzinnen ze
moeilijke systemen en wetten om hergebruik van
materialen te bevorderen, gooi het hier maar buiten het
wordt vanzelf opgeruimd door de pemulung, alleen het
echte vuilnis en de onvoorstelbare hoeveelheid plastic
tasjes blijven over. Ik bedoel daar de flinterdunne
tasjes mee die je bij de gewone boodschap krijgt, niet
een dikke plastic tas, die wordt vele malen hergebruikt,
zeker als zo een tas uit het westen komt is het nog eens
een statussymbool ook (See….Buy…Fly). Ibu Siti was
ook altijd aan het pushen dat er bepaalde dingen in mijn
huis toch wel erg oud of kapot waren, beli yang baru,
duit banyaknya. Daar had ze wel een beetje gelijk in,
maar als je in Indonesia een metalen droogrek koopt dan
slaat de roest er binnen een paar maanden uit. Afijn
aluminium gekocht, roest niet, en meteen een zootje
keukenrekken op wieltjes aangeschaft, de zo praktische
Indonesische vervanger van het keukenkastje. Alles
zichtbaar en zit je nooit met het probleem van overvolle
keukenkastjes omdat dat hetgeen achter en boven in de
keukenkastjes staat allang niet meer te gebruiken valt,
maar om vage sentimentele redenen nog “ even”
bewaard wordt want “je weet maar nooit”. Ibu Siti
had altijd grote moeilijkheden om die tweedehands zaken
(sekon in het bahasa Indonesia) uit elkaar te halen, ze
begreep er niets van en moest ik aan de slag met tangen
en sleutels. Alles werd op wonderbaarlijke wijze aan de
blauwe Phoenix gehangen en daar ging terug naar de desa
waar ze vast veel bekijks zou krijgen met al dat moois.
Stinkende hotelzeepjes, tandenborstel en snel lekkende
pennen hadden ook haar grote interesse. Zeep in de desa
van een ander merk dan “Priti” zijn ze niet gewend.
Na enige tijd werd het onderzoek der vuilnisbakken het
eerste klusje als Ibu Siti kwam om te werken en daar
alles van haar gading er uit te halen
en te vragen, “Gooit U dit echt weg?”
“Ya
Bu, sampah”. Ik heb wel eens wat ouwe dingen
bijeen gezocht en liet deze, toen Ibu Siti aan het
gosokken was met een plof in de vuilnisbak vallen en
liep dan weer naar mijn kantoor. De Javaanse
nieuwsgierigheid kennende duurde het niet lang of Ibu
Siti was bij de vuilnisbak om te kijken wat er in lag.
En dan vroeg ze: “Wat is dit?”, “Ooh vullis Bu”,
“Oh ja vullis”, en ging ze weer verder met haar
strijkwerk. Maar ze was al weer snel bij de vuilnisbak
om te schatten hoe waardevol de inhoud zou kunnen wezen,
een paar oude diskettes, wat PTT elastiekjes uit
Nederland, een senter
die nooit had gewerkt, een chinees product
waarschijnlijk. Aan het eind van de rit ging het
allemaal mee, want daar konden de kindertjes nog mee
spelen, aandoenlijk.
Het
vervelende van Ibu Siti was dat je nooit weg kon als zij
aan het werk was, ze moest steeds in de gaten gehouden
worden of ze niets iets geks deed. Een schemerlamp die
stoffig is in z’n geheel in een bak water
onderdompelen, met lamp en al, de koelkast ontdooien met
behulp van een ketel kokend heet water. Ze had wel iets
van een kerbo in een porseleinwinkel. Ik heb het ook wel
meegemaakt dat ik even een kwartiertje naar het
postkantoor was en bij thuiskomst al het werk bijna
klaar was. Alle was aan het droogrek en alle vloeren
gedweild, dat was te zien want alles kletsnat. En
natuurlijk de gebaren van Ibu Siti, capek aduh, hard
gewerkt dus. Dit soort desaslimheid is vrij normaal in
Indonesia, personeel moet altijd in de gaten gehouden en
aangespoord worden. Als de baas weg is dan is dan wordt
de werkplek net
een kleuterklas en veranderd in een (ont)ketende chaos.Ibu
Siti was heel erg slim in het aftroggelen van porsekot.
Ik betaalde haar altijd na afloop van het werk, per dag
dus, die mensen uit de desa vinden het altijd heerlijk
om over contant geld te beschikken. Ze hebben natuurlijk
liever een groot bedrag ineens en dat is het loon aan
het eind van de maand voor hun, maar bij maandelijkse
betaling krijg je gegarandeerd na 2 weken gezeur om een
voorschot. Dit is een vast onderdeel van de Javaanse
tradities, speculeren op de toekomst, zonder met die
toekomst rekening te houden. Ibu Siti begon om extra
geld te vragen “untuk beli beras”
uit medelijden betaalde ik dan een dag extra
vooruit, wat met een minachtende blik in ontvangst werd
genomen met de mededeling dat de beras alsmaar duurder
werd. Dit voldeed al gauw niet meer en op een dag kwam
Ibu Siti met het verzoek: “Mau pinjam uang”,
“Berapa uang mau pinjam ?” vroeg ik. “Ik heb
400.000 Rp nodig?” Ik slikte even, hoeveel ochtenden
werken was dat wel niet, met een loon van 5000 Rp per
uur. Maar OK, straks praten we er wel even over. Na het
werk gingen we even tegenover elkaar zitten en kreeg ik
een heel treurig verhaal te horen over de toestand van
Ibu Siti thuis. Vader zonder werk,
hij had alles van waarde in huis al naar de
lommerd gebracht, dan het dure leven, de stijgende
rijstprijs en zo, dochter op de middelbare school, kost
ook stapels geld. Het viel me op dat Ibu Siti ineens
goed bahasa Indonesia sprak. Ik stelde voor om haar man
wat klusjes in en om het huis te laten doen, zodat die
iets kon verdienen. Daar nam ze geen genoegen mee. Ze
bleek zakelijk gezien nog een zeer taai onderhandelaar
en ging ze naar huis met 200.000 Rp en haar man zou
tijdens mijn afwezigheid op mijn huis gaan passen tegen
betaling. Niet slecht voor onderhandelingen waarin je
minder dan niets hebt te bieden, ik kon administratie
gaan bijhouden.
Ze
had vlak daarna het geluk dat ik een paar maanden naar
Nederland ging en haar man de toko in de gaten mocht
houden, door ’s avonds voor de TV te slapen
en af en toe een bezem te hanteren, hij deed dit
na volle tevredenheid. Toen ik terugkwam kon er een
nieuwe TV gekocht worden, een goedkope weliswaar, maar
echt goedkoop. Geen kredit, een TV die met een
dagelijks, wekelijks of maandelijks bedrag wordt
betaald. Een TV van 800.000 Rupiah te voldoen in 2 jaar
door maandelijks 100.000 Rp te betalen. Als je een maand
niet kunt betalen dan wordt deze termijn de volgende
maand verdubbeld en moet je 300.000 betalen. Een tweede
maand non-betaling levert een schuld op ter grootte van
de aanschafprijs van de TV. Ibu Siti veranderde, soms
kwam ze niet opdagen en als ze er was dan vond ze dat ik
pijit nodig had en begon vaak mijn nek te masseren, als
dit door een kenner gedaan wordt is dit heerlijk, maar
de handen van Ibu Siti waren te groot en te sterk. Toen
ik eens in de slaapkamer moest zijn terwijl zij daar aan
het strijken was maakte zij ineens aanstalten om een
laag gelegen lichaamsdeel te gaan masseren, die ouwe
taart. Ze wou met Mister op avontuur, maar ik had er
weinig zin in. Ze begon ineens ook allerlei dingetjes
mee te nemen, die zij normaal gesproken van mij kreeg,
maar ik nog niet gegeven had. Ik vond het toen tijd
geworden een eind aan het dienstverband te maken, wat me
een scheldpartij in het Javaans opleverde met veel
oh-oh-oh d'r in.
|