Op Ambon woont een meisje....



Mijn
reis naar Ambon begint op Setasiun Balapan, Solo met de expresse van 08.27 WIB de Sencaka Pagi, naar Surabaya. Vanaf Solo noch Yogya wordt rechtstreeks op Ambon gevlogen, het eerste stuk van de reis is over land. Ik stap de restauratiewagon binnen, daar is het altijd rustig,  het personeel slaapt graag op die plek, tussen het werk door, niet omdat het werk zo zwaar is, maar slapen is voor de Javaan zoveel aantrekkelijker dan werken, daarvan wordt men niet rijk, doch als men slaapt kan men zich rijk dromen. Omdat op alle banken gelegen wordt is er slechts een bankje vrij, recht tegenover een jonge bule. Nou is het vaak gevaarlijk, waar dan ook in Indonesia, om zo dicht bij zo een blanke toerist te gaan zitten. Veel van die vakantiegangers zijn graag alleen in het land van hun toekomstige reiservaringen, één met de bevolking, deel wordend van het land zelf, de lokale cultuur opsnuiven en zo. Ik mompelde een zacht maar vriendelijk “good morning” dat even vriendelijk werd beantwoord. We raken in gesprek, hij blijkt Nederlander te zijn, ik maak hem een compliment met zijn goed uitgesproken Engels, geen minister Van den Broek-kloon. Hij verteld het bekende verhaal van studeren, een jaar praktijk, dan een jaar op reis, via Z.O. Azië richting Australië en China. Hij was nog niet lang onderweg en kreeg al snel een hekel aan zijn mede-rugzakdragers. Had al het een en ander in Indonesia gezien en gedaan, met een Pelnischip van Pulau Bintan naar Tanjung Priok, de Papandayan en de Galunggung beklommen. Naar de Kebon Raya en de Borobudur, aan beiden vond hij geen zak aan en was nu op weg naar Madura, waar ik hem veel over kon vertellen, ik was daar net afgelopen jaar voor de derde maal geweest. Toen de trein setasiun Gubeng te Surabaya binnenreed waren we nog zeer geanimeerd aan het kletsen, deze rit was omgevlogen. Ik was weer bijgepraat door een lid van de jongere generatie, hoe die tegenover reizen staat, die evenals ik, op die leeftijd, graag onderweg afboog van het zo diep uitgeholde karrenspoor dat van Bangkok naar Sydney loopt.

Die avond in Surabaya ontmoet ik een oude vriend, een Ambonees, Siem L., geboren voor WO II in Magelang, in het Militaire kamp aldaar, zijn vader was een Knil’er. Hij woont nu in Groningen, via Hollandia op Nieuw Guinea kwam hij daar terecht. Ondanks zijn 76 jaar heeft de man een geheugen waar je paf van staat, hij is mijn lopende Nieuw Guinea encyclopedie. Ik mag graag verhalen van Oudindisch gasten aanhoren, zeker als hun tempo doeloe fantasie niet op hol slaat, veel van die gasten hebben daar last van, denkende dat wij blanda’s nooit iets van “hun” Indië gehoord of gelezen hebben. Hij verbleef in Krembangan te Tanjung Perak, bij zijn broertje, 75 jaar oud. In dezelfde steeg waar hij in 1939 kwam wonen, nu de Jl. Ketumbar, toen de Kraaiensteeg. Ik kreeg verhalen van vroeger te horen over de plek waar ik op dat moment zat, in die jaren een echte Indowijk. Over de Japanse inval, Siem was toen 12 en hoefde niet meer naar school, wat is er mooier voor een kwajongen van die leeftijd. Uren heb ik voor het huis midden in de steeg zittend, genoten van deze levende geschiedenis. De avond werd afgesloten met gule en sate kambing.

De volgende ochtend zat ik na een hotelontbijt, snelle koffie en een half bord nasi goreng met de smaak van maagvulling, in een taxi op weg naar de airport. Eigenlijk had de sopir taksi al bij het vertrek mijn argwaan opgewekt toen hij iets te vriendelijk vroeg: “Pakai argo iya tuan ?” Bij een stoplicht hoogstens een kilometer van het hotel zag ik dat de meter al op 9000 Rp stond, tijdens het wachten 3x versprong met glibberige sprongetjes van 300, 200 en 100 Rp, en wist ik dat ik in een taksi met een argo kuda zat. Er was nog de mogelijkheid om uit te stappen, wat vast tot een hevige ruzie zou leiden, om geld, daar gaan ruzies in Indonesia altijd over. Zou ik daarna snel genoeg een andere taksi kunnen krijgen ? Met bagage op een kruispunt midden in de stad is vragen om moeilijkheden. Ik besloot te bidden dat het bedrag niet al te hoog zou worden. Zo vaak wordt ik ook niet geript, af en toe moet men een lesje krijgen om niet te vergeten in wat voor land men verblijft. De sopir taksi babbelde vrolijk over allerlei onbelangrijkheden door, ik zette het op een roken met de raampjes open, door de herrie van de ochtendspits hoefde ik de man niet aan te horen. Ik bad tevens dat ik bij aankomst op de airport niet een al te vreselijke hekel aan hem zou hebben gekregen en alsnog een conflict zou maken. Ik trachtte op de voorhand mijn verlies te nemen. Hier neem je wat daar laat je wat. Aan het eind van de rit bedroeg de schade 120.000 Rp, hij had een goede dag, ik ook want ging alweer vakantie houden. Hij overhandigde me mijn koffer en ik zijn snel verdiende duit haram en maakte dat ik in de menigte wegkwam.

De vlucht naar Ambon via Makassar, werd uitgevoerd met een Wings MD-82, code PK-WIF, (Wereld Impotentie Fonds?) Het vliegtuig vertrok op tijd, aan boord werd de passagiers een bekertje water verstrekt door stewardessen, die er in hun rode overalletjes een beetje dellerig uitzagen. “Vlieg is goedkoop” (“Fly is cheap”) zo luidt de slogan van Lion Air en dochter Wings, dat is duidelijk te merken. De MD-82 is verre van mijn favoriet. Het toestel maakt duidelijk het geluid van een straalvliegtuig, binnen in het lange toestel is het òf te heet òf te koud. Ik prefereer de oude Boeings 737-200 uit de 1980’er jaren, waar vele Indonesische maatschappijen nog mee vliegen, die klinken als een goed geoliede naaimachine en zitten ook niet zo krap. Het oponthoud in Makassar duurde niet langer dan 25 minuten, voor ik het wist waren we op weg naar Ambon, in mijn window-seat 26A, door de bewolking echter was er nauwelijks iets te zien. Mijn gedachten reisden mij vooruit en overal heen.

Naar Ambon en de Ambonezen, de ex-Knillers en hun nazaten die in Nederland verblijven, die na een dienstbevel met hun families per schip naar Nederland voeren, aanvankelijk voor 6 maanden, maar dat werden 10-tallen jaren. Met hun eigen droomlandje, de RMS (Repoeblik Maloekoe Selatan), die eigenlijk op Ambon e.o. gevestigd had moeten worden, die bij gebrek aan belangstelling aldaar, voornamelijk in NL leeft. De Ambonezenkampen, daar hebben we in NL in het verleden genoeg last mee ondervonden, dus vergeet ik die maar. Als ik nog aan Ir. Manusama, de president der RMS in ballingschap, terug denk, die man keek altijd zo zielig, alsof hij het, tijdens een spreekbeurt, in zijn broek had gedaan. Misschien was hij zo treurig door het niet te realiseren ideaal. De Ambonezen en hun “Eeuwig Verbond” met Nederland. De knillers uit Ambon werden door de Javanen anjing-anjing Belanda genoemd, de honden van de Nederlanders, als militair waren ze echte killers, de keurtroepen, die voor Oranje en rood-wit-en-blauw door het vuur gingen. Ik  denk ook aan kruidnagelen, Jan Pieterszoon Coen en Pisang Ambon, een groen drankje dat ik nog nooit gedronken heb. Ik houd niet van groene drankjes want associeer groen met gif  Er speelt een wijsje door mijn hoofd:

“Op Ambon woont een meisje, waar iedereen van zingt,
Omdat ze heel erg mooi is en ook om wat ze drinkt!
Reeds toen ze nog geen drie was en Mamma vroeg aan haar:
“Wat wil jij nu eens drinken?”, had zij haar antwoord klaar:

Ik wil klapper, klappermelk met suiker want iets anders lust ik niet.
Ik wil geen appelsap of limonade, thee of koffie laat ik staan
En chocolademelk of orangeade smaken mij als levertraan!
Ik wil klapper, klappermelk met suiker, want iets anders lust ik niet!”

Was dat de jaren 1950 of nog ouder? Trouwens air kelapa met suiker is dat wel lekker? Ik denk ook aan Dede, een Amboneze vriendin van jaren her, de meest jaloerse vrouw die ik ooit heb ontmoet, verder had ze alles wat een vrouw moet hebben, toch jammer. Ik ontmoet haar nog regelmatig, ze heeft een warung en ben ik daar moet alles wat vrouw is op ruime afstand blijven.

Het vliegtuig begint langzaam te dalen, ik ontwaar Hitu, het deel van Ambon waar het vliegveld gelegen is, ik heb de kaart al zo vaak bestudeerd dat ik de contouren van het eiland uit mijn hoofd ken. Even later het vliegveld zelf een zwarte streep met aan de uiteinden 2 zebrapaadjes, de MD-82 beschrijft gierend op z’n rechterzijde nog een kilometers grote cirkel en vliegen we over een wijde baai op de groter wordende streep toe, die zwart asfalt wordt, dan een paar zwiepen, alle bladen aan de vleugels omhoog, onder gepiep en gekraak wordt ik achter in de stoel gedrukt en niet veel later klinkt het krakend: “Wie hep djast lendit on Pattimura aipot”.

Wings vlucht JT8786 richting AMQ op het vliegveld Hasanuddin te Makassar


ALS U OP DE FOTO'S KLIKT KUNT U EEN VERGROTING ZIEN


 
Ambon-stad….na oorlog komt zonneschijn

Pattimura Airport is een modern en mooi vliegveld, het stationsgebouw ziet er nieuw en prettig uit. Als ik bij de band op mijn bagage wacht wordt ik aangesproken door iemand die zegt van de politie te zijn, ik vraag om zijn legimitatie, als ik iemand die zegt van de polisi te zijn voor me heb, controleer ik dat graag op waarheid, er worden in Indonesia veel verhaaltjes verteld. Het bewijs dat hij werkelijk van de politie is wordt zonder mankeren getoond. Ik mag meteen meekomen of op mijn bagage wachten, ik kies voor mijn bagage, mijn koffer verschijnt als een der laatste. De controle van mijn paspoort ging snel en correct, ondanks dat mijn paspoort uit een pak fotokopieën en een surat jalan van de plaatselijke politie te Solo bestaat, daarom waarschijnlijk des te indrukwekkender.

Vanuit de comfortabele taxi op weg naar Ambon-stad bekijk ik de vele skeletten en puinhopen van huizen die zijn afgebrand tijdens de burgeroorlog die van 1999 tot 2003 woedde. Overal worden nieuwe kerken en moskeen gebouwd, toen de oorlog begon, gingen die het eerst in de fik. Nog even, dan kunnen de christenen en moslims bidden met een vriendelijk verzoek aan de Allerhoogste, hun de kracht te geven wederom als broeders samen te kunnen leven, zoals zij dat gedurende eeuwen al deden. Tenslotte zijn Allah en Onze-Lieve-Heer één en dezelfde persoon afkomstig uit het Midden Oosten, die gedachte zou kunnen verbroederen. Dat ze dat niet eerder hadden kunnen bedenken, ik zou allang van mijn geloof afgevallen zijn, de Oosterling echter kan zich een leven zonder Hogere Machten niet voorstellen. De kloof tussen Islam en Christendom wordt wereldwijd alsmaar groter. Mensen die nooit naar de kerk gaan, nauwelijks iets van de  inhoud en betekenis van een geloof afweten, zijn fervente moslimhaters geworden. Misschien wel terecht, want moslims noemen zichzelf  “ware gelovigen” en de rest zijn de ongelovigen. Harde bewijzen dat de Islam meer waarheid bevat dan alle andere religies ontbreken, het is tenslotte geloof.

Nadat ik een hotelkamer heb gevonden ga ik een wandeling door Ambon-stad maken om de doorgezeten spieren wat op te frissen. Ambon-stad maakt een deprimerende indruk, ik wandel door een stadsdeel waar veel winkels geweest moeten zijn, meer dan de helft is verdwenen, uitgebrande panden en braakliggende stukken grond waar panden met de grond gelijk zijn gemaakt. Er zijn veel mensen te zien die geen huis hebben, in afgebrande panden bivakkeren, in hutjes van golfplaat, hout of gewoon op straat wonen, stinkende vuilnis overal. De mensen zijn vriendelijk, maar niet echt vrolijk, waarschijnlijk getraumatiseerd door alles wat er hier de afgelopen jaren gebeurd is.

 


Treurnis in Ambon-stad

De volgende dag ga ik doen waarvoor ik naar Ambon-stad gekomen ben, het fotograferen van het VOC-fort “Nieuw Victoria”. Ik loop de richting van het fort uit, maar kan het niet echt vinden, slechts een oude muur die achter een nieuwe muur staat. Ik loop om het gebied waar het fort zich bevindt, het krioelt van de militairen. Eindelijk kom ik een lange oude muur tegen, waarop “ °ºRECHT” staat, ik denk “Ha” en klik. Meteen komt een militair op me af en verzoekt me met fotograferen te stoppen. Ik vraag “Kenapa” antwoord “Instruksi dari Jakarta”, het fort is in gebruik bij de TNI dus daarom is het verboden om te fotograferen.  Dit is niet de eerste keer dat mij zoiets overkomt, ik kan me forten in Ngawi en Palembang herinneren, waar korporaals de generaal uit gingen hangen en mij als vijandelijke spion beschouwden, in ieder geval zo behandelden. Ik weet dat ik het beste mijn Amsterdamse mond met de bijbehorende logica gesloten moet houden. Het is eigenlijk meelijwekkend dat het Indonesische leger gebruik maakt van gebouwen die al eeuwen oud zijn, die als toeristische trekpleister nog wat geld in het laatje zouden kunnen brengen. Over de arrogante houding zwijg ik hier, die ben ik inmiddels gewend. Ik loop door kampongsteegjes, gelegen langs de buitenmuren van het fort, schiet af en toe een plaatje. Plots sta ik voor de schitterende toegangspoort, waar ook een hele groep militairen staat. Ik vraag vriendelijk of fotograferen is toegestaan, dat blijkt geen enkel bezwaar, doch naar binnen gaan is ten strengste verboden. Op afstand zie ik binnen pantserauto’s en meer van dat soort apparatuur geparkeerd staan. Nadat ik genoeg foto’s heb gemaakt, maak ik dat ik wegkom.

Op het kantoor van Merpati koop ik een ticket naar Namlea, de hoofdstad van het eiland Buru ad 110.500 Rp. Het vliegtuigje vliegt maar 1x per week, dus moet ik terug met de boot, 2-3 dagen voor de waarschijnlijke aanwezigheid van 1 fort is voor mij genoeg.  Andere Merpati-vluchten vanaf Ambon: 1x per week op Banda, waar ik ook graag heen wil, doch dat is een trip op zich, dus een andere keer. Verder naar Ternate 1x p.w. Saumlaki 4x p.w. Langur 2x p.w. en Kisar 1x p.w. Hierna heb ik Ambon-stad wel zo een beetje gehad, en ga terug naar mijn hotel voor tidur siang, een beetje lezen en schrijven.

’s Avonds heb ik een ontmoeting met een onderwijzer, die mij over het voorbije conflict, dat tot een burgeroorlog leidde, verteld. Hoewel er nu vrede is, heerst er momenteel angst voor komende 25 april, de herdenking van de oprichting van de RMS. Het aantal aanhangers van de RMS op Ambon en omstreken is miniem, de RMS leeft meer onder de Molukkers in Nederland, één van de zaken waarover de Ambonezen zich graag bij de NL-regering druk maken, demonstreren en oneigenlijke eisen stellen. Elk jaar zijn er RMS-aanhangers die hun vlag op Ambon hijsen, een gebeuren waar de Indonesische regering hels van wordt. Het leger is die dag zeker in volle paraatheid “Siaga nomor Satu”, de bevolking verschuilt zich angstig in hun huisjes. Verleden jaar werden er vlaggen opgelaten aan ballonnen, het TNI met volle bewapening ging er achter aan. Lachwekkend, om als professioneel leger op een lap stof te jagen, en deze uit de lucht proberen te schieten. Hij vertelde ook over het grote aantal moslimslachtoffers dat de burgeroorlog had gemaakt. Dat kwam niet omdat de moslims slechtere strijders zijn, doch zij voerden hun Jihad gekleed in witte jurken, daarbij “Allah Akhbar” roepend. ’s Avonds is zo een witte jurk natuurlijk een schitterend doelwit.

De volgende dag neem ik een taxi van Ambon-stad naar Tulehu, de plek waar boten naar andere eilanden afvaren, deze chauffeur verteld mij ook uitgebreid over de oorlog. Bij de steiger aangekomen wachten er al speedboten, die voor de tocht naar Saparua gecharterd kunnen worden voor 300.000 Rp, of men moet wachten tot er 16 passagiers zijn. Ik kies voor het laatste en ga iets eten, vis natuurlijk. Na een half uur kom ik terug en zijn er vier man. Echter na een kwartier komt er een angkot vol mensen aan, ze moeten naar Saparua voor een begrafenis, ze hebben kransen en kruisen met bloemen van kunstzijde mee, die zullen de dode lang overleven. We stappen in, 20 passagiers aan boord, waarvan 3 kinderen, er zijn geen reddingsvesten etc., dat is heel gebruikelijk in Indonesia, een mensenleven is hier niets waard. De speedboot wordt voortgedreven door 3 x Yamaha 40 pk, in 1,5 uur varen we voor 35.000 Rp p.pers.naar Haria nabij Saparua. Onderweg mooie helderblauwe zee, spierwitte stranden, koraalformaties en groene eilanden. Vanaf Haria is het nog 15 minuten naar Saparua met een gecharterde angkot 30.000 Rp. Kinderen dragen koffers voor 5000 Rp, ze vragen 10.000. Kamer met AC in een penginapan voor 60.000 Rp. Ik besluit tot een wandeling naar het fort Duurstede, op slechts 5 minuten afstand. Het fort is op slot, ik loop om het fort heen. Ik heb geen zin om de juru kunci te zoeken, het is op het heetst van de dag, die man legt vast te slapen. Naderhand wandel ik op verkenningstocht door Saparua en vind zelfs een plek waar ge-internet kan worden.

Fort Duurstede te Saparua was in 1817 het decor van een heuse opstand tegen het Nederlandse gezag. Deze opstand werd geleid door Thomas Matulessy en zijn leger van 1000 Alfurese koppensnellers. Zij overvielen fort Duurstede en doodden daar de gehele bezetting inclusief de resident en zijn vrouw. Alleen het zoontje van de resident werd gespaard. De Molukken waren reeds lang Brits bezit geworden voordat de Engelsen Java en Onderhorigheden in 1811 van de Nederlanders overnamen. De Molukkers voelden zich vrijer onder het Britse gezag dan onder de Nederlanders. Ook betaalden de Engelsen met zilveren Rupees uit India, waar men van de Nederlanders waardeloos papiergeld kreeg. Toen de Nederlanders in 1816 weer terug kwamen, nam ook de repressie toe, wat de aanleiding voor Thomas Matuslesy was om in opstand te komen. Hij had onder de Britten als sergeant in hun leger gediend. De Nederlanders hadden grote moeite om deze opstand te bedwingen. Omdat Matulessy iedere Nederlander die hij in zijn handen kreeg had gedood, maar het zoontje van de Resident had gespaard kreeg hij de bijnaam “Pattimura” wat goedhartig betekend. De opstand werd met grote overmacht door de Nederlanders onderdrukt. En in december 1817 werd Pattimura in Ambon-stad geëxecuteerd. Zijn laatste woorden tegen de Nederlanders waren: “Selemat tinggal tuan-tuan”. Op de plek van zijn executie bevindt zich het lelijkste standbeeld dat ooit in Indonesia is vervaardigd. Pattimura is een van de bekendste Indonesische nationale helden, zijn konterfeitsel siert het biljet van 1000 Rupiah.

Het standbeeld van Pattimura


Is Ambon wel zo leuk en mooi ?….

Mijn plan is om op het eiland Nusa Laut fort ‘Beverwijk’ te fotograferen en op het eiland Haruku de forten ‘Nieuw Hoorn’ en ‘Nieuw Zeeland’, alle drie VOC overblijfselen. Toen ik in alle vroegte op de steiger in Haria aankwam, bleek de ‘speed umum’ naar Haruku pas om 10 - 11 uur te vertrekken, dus veranderde ik mijn plan en trok richting Ouw, waar er nog een benteng Portugis moest zijn, dit is vlakbij Nusa Laut. Onderweg kwam ik langs een totaal afgebrande christenkampong, die door moslims met mortieren in brand scheen te zijn geschoten, met behulp van het leger, dat voor een groot gedeelte uit moslims bestaat dus in het conflict partijdig was. Verderop een moslimkampung, waar de vele mensen die daar verbleven mij nogal angstig leken, een minderheid in vnl. Christelijk gebied. De benteng Portugis was snel gevonden, maar ik betwijfelde of het bouwwerk Portugees was, of zelfs maar een fort, het leek me tamelijk recent, hoogstens 150 - 200 jaar oud, gezien de kozijnen die in de muren gezeten hadden. Niemand kon me echter bijzonderheden vertellen. Nadat  ik foto’s had gemaakt ging ik op zoek naar een boot, de schippers verlangden echter gouden prijzen, een christen 250, een moslim 300.000 Rp voor een tocht naar een eiland dat vanaf de kust duidelijk zichtbaar is, dat was mij te gortig. Omdat het inmiddels al over 9 uur was besloot ik naar de steiger voor de boot naar Haruku terug te keren. Passagiers waren er echter niet. Het charteren van een speedboot om heen en weer naar de twee forten op Haruku te varen zou 450.000 Rp gaan kosten en geen Rupiah minder, men noemt een prijs en loopt weg, dat is de plaatselijke manier van zaken doen. Ik besloot mijn geluk elders te proberen. Op een andere steiger lag er een mooi klein bootje met 2 buitenboordmotoren. Ik schoot de kapitein aan en vroeg hoeveel het zou kosten om naar èn Nusa Laut èn naar Haruku te varen. “En daarna naar Ambon?” vroeg de kapitein. Dat leek me een uitstekend idee, waarschijnlijk wilde hij zelf naar Ambon. Ik kreeg een prijs van 1 juta te horen. Toen ik 500.000 Rp bood zakte hij naar 800.000 Rp en liep weg, begon met anderen te praten, alsof ik niet bestond. Een vreemde manier van zaken doen, die mij echter bekend voorkwam, zo doen Papoea’s ook “zaken” een hoge prijs noemen waar niet over te onderhandelen valt. Hij schreeuwde nog iets over 100 liter benzine die hij nodig zou hebben, wat mij als een sterk verhaal voorkwam. Ik ben niet technisch aangelegd, maar de totale afstand die ik wilde afleggen zou misschien 90 kilometer bedragen, stel dat het er 100 waren, dan zouden die 2 motoren slechts 1 kilometer afleggen met 1 liter benzine, dat is zeer dorstig te noemen. Ik probeerde nog 600.000 Rp maar dat was niet bespreekbaar. In mijn hoofd gaf ik het project voor vandaag maar op, want ik wil die foto’s niet maken ten kostte wat het ging kosten, temeer daar het slechts om 3 ruines ging. Waarom bouwde de VOC toch die forten toch op die afgelegen plekken, die alleen varend te bereiken waren? Ik ging maar terug naar Saparua om de binnenkant van Fort Duurstede fotograferen en om 12 uur was ik vrij.

Monumen : 
Daftar anggota Bataljon 200ITT II jang gugur dalam actie MALUKU SELATAN  
Saparua 17 Mei 1951


’s Avonds wandel ik door Saparua, dat eigenlijk maar uit 2 evenwijdig lopende straten, met wat zijweggetjes bestaat, vredig, mooi en saai. Ik kwam langs de immense Gereja Protestan Maluku, met gelovigen binnen en buiten, waarschijnlijk de grote favoriet hiero. Men was allen in stemmig zwart gekleed, het leek wel de Veluwe anno 1950. Makkelijk herkenbaar, net als de meeste moslims door heel Indonesia. De volgende ochtend, de dag des Heren, was ik al om 7 uur buiten, Saparua leek uitgestorven, zondag is hier rustdag. Ik ging zitten wachten op een ojeg, die kwam en ik liet me weer naar de steiger te Haria vervoeren om nog een poging te wagen een boot te charteren. Er lag een boot aan de steiger, en weer te duur. Ik nam dezelfde ojeg terug en vroeg de tukan 100-uit. Hij vertelde me dat in Saparua er iemand was met een boot, maar zonder ‘djonson’, zoals de Yamaha buitenboordmotoren hier worden genoemd, maar met een mesin biasa. “Erachter aan!” zei ik op het toontje dat Indonesiërs die zich ondergeschikt achten zo goed begrijpen. We gingen naar een huis iets verder dan de penginapan waar ik verbleef, gelegen was. Ik werd zeer vriendelijk ontvangen, maar moest even wachten. Als je in Indonesia iemand nodig hebt dan istie er nooit, lagi keluar, sebentar mister, tunggu tuan en wachtte ik. Keek naar alle honden, waar Christenen in Indonesia wonen ziet men ook overdadig veel honden, daaraan herken je het geloof. Mensen kwamen in hun Zondagse kleding voorbij, de dames met een tas vol permen en iedereen met een zwarte bijbel in de hand, op weg naar geestelijk voedsel. De dominee sprak vanaf de kansel: 'Saudara U moogt elkanders gebedshuis niet in de brand steken'.

Huis op Saparua

Er ontstond wat actie voor het huis en het eind van het liedje was dat ik een boot had gecharterd naar Nusa Laut, voor 250.000 Rp. Een uitgeholde boomstam als catamaran, een heerlijk pruttelende motor en drie bemanningsleden, de machiniststuurman, de kapiteinkassier en een forse scheepsjongen, pikzwart, voor de uitkijk en het hozen. die een vaartochtje waarschijnlijk aantrekkelijker voorkwam dan een lange zit in een kerk. Het was niet te heet, de zon werd gefilterd door sluierbewolking. Heerlijk zo een inlanderkanootje, net breed genoeg om te zitten, aan alle kanten schitterend blauw pislauw water onder handbereik, een motor die wel geluid, maar geen herrie maakt. Gezien de omvang van de boot moesten we de kustlijn volgen, ik zag de weg die ik de vorige dag per ojeg had afgelegd. Voorbij Ouw begon het land woest te worden, rotsen aan de kust en jungle afgewisseld met klappers daarboven, af en toe een schitterend strandje aan azuurblauwe zee. Voorbij de laatste kaap van Saparua, met een mooi uitzicht op Ceram, begonnen we de oversteek naar Nusa Laut, dat zo dichtbij ligt dat je gebouwtjes kan onderscheiden. Eenmaal uit de luwte van de kust werden de golven wel wat hoog en ging het prauwtje hevig tekeer, er was veel communicatie tussen de bemanning, waar ik niets van verstond. Ik voelde me wel lekker in deze kermisattractie. Ik heb geen verstand van zee en varen, de golven leken me hoog, maar mijn lot had ik niet in eigen handen. Dat is nou het fijne van varen en vliegen, omdat ik daar niets vanaf weet kan ik daar echt van genieten, bij landvervoer ga je altijd mee zitten rijden en acht je jezelf vaak een betere chauffeur dan degene die achter het stuur zit. Op een gegeven moment doemde er een vierkant blok op, “Lihat Mister, benteng’ en daar was benteng Beverwijk, een grijs blok op de rotsen.

Rotsen en zee op weg naar Nusa laut

We meerden aan in een impressionistisch blauw gekleurd baaitje van de plaats Sila, ik stapte uit en volgde het pad dat de heuvel opliep. Het pad ging over in een cementen straatje, afgezet met witgekalkt hekwerk. De paden rond de huizen waren bestrooid met wit koraal. ik kwam aan op een pleintje waar een schitterende oude kerk stond. ‘Ebenhaezer 1728’ las ik, dit was dus een VOC overblijfsel en maakte wat foto’s. De kerkdeuren stonden uitnodigend open en ging ik naar binnen om een kijkje te nemen, zag een mooie preekstoel en een ouderlingenbank. Ik maakte een foto van de preekstoel en draaide mezelf om de ouderlingenbank aan een nader onderzoek te onderwerpen. Opeens stonden er veel mensen om me heen, een vrouw in het zwart bitste mij toe “Wat doet U hier” “Deze mooie kerk bekijken”, antwoordde ik. “Nee U kijkt niet, U maakt foto’s en daar heeft U geen vergunning voor”. “Sorry hoor, maar ik zag niemand om toestemming te vragen”. Ik werd op een hoogst onvriendelijke wijze aan een ondervraging onderworpen door de Domina. Achter haar stond een groep verzuurde gelovigen bij elk woord dat zij sprak “Ja” te knikken, en het hoofd te schudden als ik iets zei. Het leek wel of ik iets heel ergs had gedaan, misschien wel een doodszonde schoot er door mij heen. En ze bleef maar hameren over de izin die ik niet had. Ik zei haar dat als ik Gods huis wenste te fotograferen Onze-Lieve-Heer dat vast wel OK zou vinden, hij was toch de grootste mensenvriend. Ik voelde dat ik op moest passen, dat lelijke wijf in die zwarte toga met haar lipstick in de verkeerde kleur, begon me heel erg tegen te staan. Ik verklaarde dat die hele kerk me niets kon schelen dat ik eigenlijk meer geïnteresseerd was in duivelse forten en vervolgde mijn weg. Het fort zag er uit als een klein kasteeltje, ik maakte mijn plaatjes en ging weer terug. Ik hoopte dat de groep verzuurde artikel 31 aanhangers nog in de kerk zou zitten dan zou ik buiten even een knallende sessie doen. Maar ze waren al vertrokken. Ik liep naar de baai en zag aan het strand nog enige zeer oude grafzerken. Ik dacht aan een Nederlandse begraafplaats, maar het waren graven van de raja van Sila, zwaar verwaarloosd. Daarna stapte ik in de prahu en we gingen weer op weg. We voeren net de baai uit toen de kapitein wees, een grote school dolfijnen, die uit het water opsprongen. Dit had ik nog nooit eerder van mijn leven gezien, schitterend, een godsgeschenk, kwam mij voor. Deze Dag des Heeren kon niet meer stuk.


Di Maluku tiada hari tanpa pisang goreng….

In de Molukken kan je niet om de gebakken banaan heen, overal worden die dingen verkocht of bij de thee en koffie aangeboden, en meestal lekker tot zeer lekker. De pisang in de Molukken nodigt uit om gegorengd en daarna warm opgegeten te worden Ik heb in NL wel eens op aanraden van een vriendin warme pisang goreng met vanilleijs en slagroom gegeten, nou dat is bijna niet te omschrijven zo goed.

In alle vroegte stond ik op, zonder de Grote wekker van Allah, maar door het gekraai van een hervormde haan. Bagage pakken, koffie drinken, als ontbijt waren er broodjes chocoladehagelslag, nou niet direct mijn favoriet, ik at er toch eentje, want op het soort tochten die ik maak weet je nooit wanneer je kunt eten. Gisteren ontbeet ik pas op 1400 uur, omdat de donuts, ook met chocoladeslag, in de vroege morgen mij niet aanstonden, terwijl ik als kleine jongen nooit praatjes mocht hebben over hetgeen op tafel kwam. Al het eten dat werd geserveerd was goed, dus lekker, want Vader had er hard voor gewerkt en met zijn zuur verdiende centjes werd al dat eten gekocht. Later als ik eenmaal groot, d.w.z. 21 jaar, zou wezen kon ik het zelf uitzoeken, wat ik dus ook deed. Pisang goreng komt helaas pas ’s middags bij de thee. Ik nam een beca om mij naar de terminal angkot te laten vervoeren, er stond er al eentje klaar. Hoewel de angkot leeg was, op mij na, vertrok deze onmiddellijk en na een rondje lege stad naar de steiger. Geen boot te vinden, op naar de volgende steiger, van verre zei de sopir al dat er geen boot was, ik kon beter naar het noorden gaan de reguliere passagiersboot nemen, dat zou met zijn angkot slechts 100.000 Rp kosten, proberen is niet verboden, dacht ik. “Ga maar naar de steiger”, zei ik. De angkot stopte daar, onmiddellijk verdrongen zich een paar speedbootschippers, ik noemde mijn wensen, Pelauw op Haruku daarna Tulehu op Ambon, stengah juta klonk het, ik vroeg om korting en de prijs werd afgemaakt op 450. Mijn koffer werd naar een boot met drie Yamaha’s 40 PK achterop, gedragen voor 10.000 Rp waar ik er maar 5 van betaalde. Omdat het laag water was droeg de schipper als kuda mij naar de boot. Hij kraakte en steunde, want ondanks dat ik een klein mannetje ben weeg ik 80 kilo, veel spieren en hier en daar een vetkwab. En voor ik er goed erg in had waren we knetterend op weg naar Haruku.

3x 40 PK Yamaha, wat een geluid !!

Het was nog vrij vroeg in de ochtend, we snelden door de zeestraat tussen Saparua en Haruku, langs mooie uitgestorven stranden en hoge golven, waar de speedboot over heen klapperde, daarna de zee tussen Haruku en Ceram die behoorlijk ruig is, dat zal wel aan het seizoen en de wind leggen. We waren snel op de plaats waar de forten zouden moeten staan. Bij het uitstappen deed ik mijn schoenen en sokken uit en stroopte mijn broek tot de knie omhoog, want de schipper keek bedenkelijk. Waar ik aan land ging, moslimgebied, bevond zich een groot vluchtelingenkamp, bestaande uit armzalige triplex huisjes. Deze huizen die in het overheidsschetsboek al aan magere minimumeisen voldoen, worden nog slechter gemaakt dan aanvankelijk bedoeld is, een groot deel van de fondsen hiervoor verdwijnt in de zakken van ambtenaren. Ik organiseerde een ojeg, en hoorde dat er hier maar een fort was het andere stond in de plaats Haruku. Het fort “Nieuw Hoorn” was snel gevonden en bevond zich in een bedenkelijke staat van ontbinding. Dorpsbewoners liepen uit om mijn witte kop een paar priemend onderzoekende blikken toe te werpen. Na wat foto’s gemaakt te hebben en verhalen van de omwoners te hebben aangehoord ging ik weer terug naar de boot. Het stond natuurlijk vast dat, nu ook de plaats Haruku aangedaan moest worden, ik bij zou moeten storten. Ik kon gelukkig ook de schipper een beetje de schuld geven en malu maken omdat hij niet precies had geluisterd toen ik hem mijn bestemmingen vertelde, ik ben tenslotte een vreemdeling. Het werd 100.000 Rp erbij en we gingen op weg naar Haruku. Ook daar weer een landing aan het strand, waar veel varkens liepen te snuffelen zoals alleen deze beesten dat kunnen, geen moslims hier. Ik liep langs de zoveelste afgebrande kerk en stond al snel voor fort Nieuw Zeelandia, waar niet veel meer van over was dan een muur met daarin een poort, de rest lag als golfbreker in zee. Mijn werk was snel geklaard. Na wat ge-OH’t de hebben met de plaatselijke bevolking, ging ik op weg naar Tulehu.  

Haruku : 
aan het strand staat, over zee uitkijkend, dit standbeeld van 
Mr. J. Latuharhary, Gubernur Maluku 1945 - 1955

Het eerste wat ik in Tulehu ging doen was brunchen, uiteraard was er weer een kofferdrager. Toen hij aan het eind van de steiger gekomen was liet ik hem zien waarom ik hem eigenlijk niet nodig had, ik vroeg of hij de koffer, die volgens de weegschaal van Lion Air 14,8 kg weegt, over de stenen muur die de steiger afsloot kon tillen, schoof daarna het handvat eruit en trok mijn Samsonite op z’n wieltjes voort, er werd schaapachtig gelachen. Ik gaf hem evengoed 5000. Tijdens het eten staarden enige Inlanders naar het voederen van het witte dier, en kletsten over voetbal, allemaal Oranjefans. Tussen de namen Pan Nistelroy, yang hitam pakai kaca mata, Marko pan Basten en Prank Richkard viel ook het woord taksi diverse keren, waar ik maar OK op antwoordde. Een sopir nam voor me plaats en vroeg waar ik naar toe wilde: “Hila” antwoordde ik. Dat was uiteraard “jauh” dus 250.000 Rp. Ik hield m’n mond en ging door met eten. Na aandringen zei ik 150. Dat kon niet, of ik misschien voor 200 wilde. “Tidak bisa” zei ik kortaf. De sopir liep weg en ik ging rustig door met eten. Toen ik bijna klaar was hoorde ik OK, OK, mijn koffer werd rijdend ingeladen. Ik nam nog een es-teh-manis en ging weer op weg. Bij het open autoraampje hadden er ineens veel trek gekregen in gratis rokok, een bungkus, maar ik deed net of ik Oost-Indisch doof was. Je kan wel aan de gang blijven met kasian, maar mijn medelijden was op voor vandaag.

Een groot stuk van de weg naar Hila had ik al gezien toen ik van de airport kwam. Op een gegeven moment sloegen we af en reden een heuvelachtig landschap door. Ik vond het uitzicht maar saai, dat vind ik trouwens van al het landschap hier, uitgezonderd de uitzichten waarin de zee verschijnt, die zijn vaak spectaculair, dat komt vooral door de schitterende kleur van het zeewater. De noordkust van het eiland Hitu is moslimgebied, het ziet er een beetje kaal en arm uit. De zee is nogal ruig en op diverse plekken waren huizen het slachtoffer geworden. Toen we in Hila aankwamen zag ik de schitterende oude moskee, wat zeer oude huizen en achter het geboomte fort “Amsterdam”. We gingen voorbij Hila, want volgens de informatie die ik ontvangen had, lag daar aan het strand een hotel met bungalowtjes. We reden een paar keer heen en weer, maar zagen alleen maar verlaten en afgebrande gebouwen. We informeerden bij een zagerij, vast illegaal hout uit Ceram dat aan de overkant van de zeestraat ligt. Het Manuala Beach hotel en de andere hotels die hier stonden waren afgebrand, toeristen kwamen er niet meer, dus werd er ook niets meer opnieuw begonnen. Er was geen enkele andere accommodatie in Hila. Daarom gingen we weer terug. In het haventje van Hila ging ik nog even bij de politiepost vragen, maar ook daar werd verteld dat er in de wijde omgeving geen penginapan te vinden was. Er zat mij niets anders op dan onverrichter zake om te keren en later terug te komen om foto’s te maken. Ik wilde niet naar Ambon-stad, want dat vond ik te deprimerend, dus koos ik voor het strand van Natsepa, dat aan de hoofdweg door Ambon ligt 18 km van Ambon-stad en 8 km van Tulehu, van waar ik die ochtend vertrokken was. Ik had enige dagen geleden info gehad van iemand die het Manuala hotel aanraadde, dat terwijl het al in 1999 gesloten was. Eens en te meer bleek mij dat je nooit op informatie van Indonesiërs af moet gaan, want dat klopt zelden. Op een trip als deze ben je helemaal op jezelf aangewezen, ik heb dan wel wat huiswerk gedaan, echter in de situatie waarin Ambon momenteel verkeerd is alle informatie moeilijk en niet te vertrouwen.

Op aanraden van de sopir checkte ik in bij ‘Suli Indah’, een hotel met erg veel kamers, maar bijna leeg. De kamers zijn enigszins Spartaans, maar daar houd ik wel van. Het bed was goed, er was AC, een badkamer zonder spiegel, dus hoefde ik m’n eigen ouwe kop een paar dagen niet te zien, harde, rechte stoelen, 90.000 Rp. Het hotel wordt vnl. gebruikt voor het short-time ‘geven van gelegenheid’, maar daar heb ik verder geen last van. In de koelkast in de lobby staan gekoelde bintangs voor 20.000 Rp. Ik rekende af met de sopir, gaf hem 200.000 Rp, waar hij zeer tevreden mee leek, ik had geen zin in een discussie over hoeveel geld de rit terug zou hebben moeten kosten. Hij bood zijn diensten aan als ik weer naar Hila wilde. Ik sprak met hem af voor over twee dagen. Ik zou de volgende dag rustig aan gaan doen.  

 


Karl Marx: Godsdienst is opium voor het volk….

Hoe men het ook wendt of keert, in gesprekken met mensen te Ambon komt men op een gegeven moment terecht bij religie. Als men de ogen de kost geeft is dat een voortdurende confrontatie met de gevolgen van de burgeroorlog die op de Molukken, met name op Ambon en omstreken, heeft gewoed. Afgebrande kerken en moskeen, platgebrande kampungs en vluchtelingenkampen, geen prettig gezicht voor een toerist, die voor zijn lol reist, zijn dagelijkse beslommeringen ontvlucht en zeker niet oog in oog wil staan met de schrijnende ellende van mensen, die zich in zoiets primitiefs als een godsdienstoorlog hebben gestort. Als men de vele treurige puinhopen aanschouwd en daarbij de verhalen voegt die men hoort, dan is de indruk: dit is heel erg geweest. Je voelt als de mensen met je spreken dat ze maar 1 ding willen: vrede en vergeten, maar de wonden zijn zeer diep. Familiebanden, die zo belangrijk zijn in dit deel van de wereld zijn verscheurd. Grote groepen mensen zijn gevlucht en wonen nu in triplex noodhuizen bij geloofsgenoten. Ze hebben moeite om te aarden, want de kampung waar men is geboren is alles voor de Indonesiër. Ik vraag me dan af, als domme Nederlander die het altijd beter meent te weten, is het wel goed dat de geloven nu gescheiden leven, nadat ze 100’en jaren in vrede en in de beste samenwerking bijeen hebben geleefd. Ach waarom zou ik me zoveel vragen stellen, ik ben hier op een persoonlijke missie, ze mogen blij zijn dat er iemand uit het westen nog een kijkje in deze troep komt nemen. Ik verblijf hier nu ruim een week, heb toeristenbestemmingen bezocht, maar heb nog niet een westerling ontmoet, alles is voor mezelf hier. Het eten op Ambon valt me erg tegen, zeker als ik vergelijk hoe lekker ik een maand geleden op de Noord-Molukken heb gegeten. Ik zit op eilanden vlak bij zee, dan wil ik vis eten  Maar wat er aan vis te verkrijgen is is naar mijn smaak niet zo bijzonder. De prijzen zijn zeer redelijk 8000 – 12.000 Rp voor een maaltijd. Echt goed gegeten heb ik maar een keer bij een RM Padang in Ambon-stad.

 

Suli : moskee

Vandaag had ik dus vrij, ging met tegenzin naar Ambon-stad om eens behoorlijk te eten en wat te internetten. In Ambon-stad moet ik even denken aan Tante L. op haar vriendelijke verzoek. Als man begrijp ik niet waar dat goed voor is, maar je doet zoiets toch. Ze heeft daar als meisje gewoond, en bewaard heel goede herinneringen. Dus denk je daar even aan, als zo een mens daar nou gelukkig mee is, makkelijk zat, maar denkt er meteen ook bij, die wijven altijd met hun onzin. Internet in Ambon-stad is vrij waardeloos, Ik ken ook maar een warnet, met een slechte provider, langzaam of zelfs niet te gebruiken. Je kan een halfuur zitten proberen een site te openen of e-mail down te loaden, zonder resultaat, dat terwijl de warnet vol zit. Je vraagt je af wat die anderen achter die computers doen. Als je hier over klaagt worden de schouders opgehaald, en wordt je geacht gewoon te betalen. Een norm voor kwaliteit bestaat er niet in dit land, als het er maar op lijkt dan is men al tevreden, ook zal men geen pogingen wagen om iets van een te lage kwaliteit te verbeteren, om het leven op een hoger plan te brengen. Daarom zal het moeilijk zijn om ooit iets van dit land terecht te brengen, omdat men geen ideeën, laat staan eisen heeft waaraan het leven aan zal moeten voldoen. Openlijke kritiek  behoort niet tot de cultuur, een kritisch geluid wordt vaak beschouwd als een belediging.

Om even over 6 uur schrok ik wakker, er werd aan de deur geklopt, een stem riep: “Mas, mas’. Ik ging kijken en was het de sopir die ik voor 7 uur had besteld. “Mandi dulu” zei hij, dat terwijl ik er een grote hekel aan heb om radicaal met een straal water wakker gemaakt te worden, ik verkies het trage openen van mijn ogen onder het genot van koffie. Ik ging toch maar onder de douche staan om wakker te worden. Daarna pakte ik hetgeen ik nodig had bijeen en we gingen op weg. In Paso, 6 km verderop dronken we koffie en daarna op pad naar Hila. Deze weg had ik al twee dagen geleden afgelegd. Dit keer zou ik verder tot Negeri Lima gaan, want daar scheen een fort te zijn. Vlak voorbij Hila, bij Kaitehu, werd er een immense brug over een rivier gebouwd, doch nog lang niet af. Aan de kleur van het beton te zien stond dit half afgebouwde project al enige jaren in stilstand, weer een berg weggegooid geld. De betonnen brug zag er ook erg groot uit gezien de omvang van de omgeving. Hierna werd de weg erg mooi, aan een kant af en toe de zee en het eiland Ceram. Aan de andere kant cengkeh, durian, kenari, pala, langsat en sagopalmen. De sagopalm is een fantastische boom, afgezet met doornen, deze boom zorgt voor het hoofdvoedsel van de Molukkers, terwijl de stengels als bouwmateriaal gebruikt worden en de bladen als dakbedekking. Dit schitterende landschap, voor het eerst dat ik zoiets zag op Ambon e.o. ging door tot Negeri Lima. Aldaar aangekomen, moesten we nog enigszins zoeken naar het fort, we reden er bijna voorbij, zo klein was het, het stond tussen de huizen en verscholen achter begroeiing. Ik maakte een foto en stond door de schietgaten te gluren, toen er een man in zn singletje aankwam. Ik hoorde “Harus lapor dulu, harus lapor dulu” wat hadden de mensen hier toch, je bekijkt iets wat je interesse heeft, maakt foto’s, een heel normale toeristische bezigheid en ze geraken in de stress. De man stond op mij te mopperen en mij uit te leggen dat hij de juru kunci was en dat ik me eerst moest melden voordat ik het fort ging bekijken. Dat moet je allemaal maar weten als je van 14.000 km afstand komt, zonder bordjes en aanwijzingen. Typisch Indonesische logica van iemand die graag macht wil uitoefenen, laten zien dat hij iemand is. Hij zette me op een stoel voor zijn huis neer en overhandigde mij het “buku tamu” met het verzoek mijn naam in te vullen en hem niet te vergeten. Toen ik mijn naam in wilde vullen zag ik dat de vorige gast hier op 20 februari 1997 had getekend en 500 Rp had gegeven. Ik vulde mijn gegevens in en gaf 20x zoveel, waarna ik het fortje ging fotograferen, met de juru kunci achter me die iets stond te mompelen over restauratie. Een steen boven aan het fortje melde dat het hier om een blokhuis ging genaamd “Van der Capellen”, gebouwd in 1817, dus geen VOC bouwwerk, waarschijnlijk uit angst voor Pattimura opgericht.  Doordat het binnen nogal vol stond en je buiten je kont niet kon keren, was fotograferen moeilijk, ik heb geen groothoeklens op mijn cameraatje. Inmiddels waren er enige vrouwen op het strijdtoneel verschenen, die mij vertelden dat ik cadeautjes moest geven, snoepjes, maar liever geld. De juru kunci zei “dit is mijn moeder, die past op het fort”, alsof het gebouw na bijna 200 jaar weg zou lopen. Om van het gezeur af te wezen gaf ik 10.000, ik had genoeg foto’s en nam kortaf afscheid. We gingen terug naar Hila.

In Hila staat fort “Nieuw Amsterdam”, een imposant gebouw van 3 verdiepingen, dat nodig aan onderhoud toe is, zoals heel Indonesia, om het gebouw 3 bastions. Hila was vroeger een belangrijk handelscentrum. Het gebouw is in 1991 gerestaureerd, maar zag er uit alsof het alweer hard aan restauratie toe was, een groot gedeelte van de dakpannen was naar beneden gedonderd. Ook hier een juru kunci. In het gebouw was het stikkedonker en rook het duf en vochtig, je zag het hout, dat ongetwijfeld van de restauratie uit 1991 dateerde voor je ogen wegrotten, gegarandeerd van een zeer slechte kwaliteit geweest, om de winst van de aannemer en de controlerende ambtenaren op te krikken. Ook buiten groeide er gras en lagen er overal dode bladeren. Zo een juru kunci doet er niets aan, behalve bij het zien van een turis met een buku tamu aan komen rennen in de hoop wat geld te krijgen. Ik zag bedragen van 20 – 50.000 Rp staan, helaas, ik was door mijn kleine geld heen, had alleen nog maar briefjes van 100.000 Rp plus 9000 Rp in klein papier, ik overhandigde dat bedrag aan de juru kunci, dat leverde mij een zeer zuur gezicht op. Ik dacht krijg de koelere maar, doe er maar iets voor. Naast het fort staat er nog een gebouwtje waarin foto’s uit vroeger tijden schijnen te hangen, van voor de restauratie. Ik ben daar niet binnen geweest. Bij het fort heeft nog een oude kerk gestaan, de Immanuel kerk uit 1780, maar deze heeft de godsdiensttwisten, U raadt het al, niet overleefd. In Hila staat ook  schitterende “Tua Wapauwe” moskee uit 1414, een van de oudste in Indonesia, met prachtig houtsnijwerk, zeer de moeite waard. Ik maakte wat plaatjes en daarna gingen we eten bij het haventje van Hila.

 

Hila : Detail “Tua Wapauwe” moskee uit 1414



De kop van Londoh vs nootmuskaatboom....


Van
Hila ging de reis verder naar Mamala, eerst over vlak land langs de kust, na Mamala ligt er weer gebergte. Ik had zeer summiere informatie over een fort : “Fort Kapalaha, mostly in ruins, lies about 5 kilometers and 1,5 hours from Mamala on a path heading slightly inland”. Bij Mamala wilden we de weg landinwaarts nemen, maar we werden terug naar de kust verwezen. Voorbij Morela ging de asfaltweg over in karang, en leek de weg ooit langs het gebergte te zijn gebuldozerd. Af en toe bruggen van klapperstammen, of gewoon met de auto door de rivier. Nergens was er een fort of een aanwijzing te zien, vragen leverden handgebaren in oostelijke richting op. We vernamen op een gegeven moment dat het fort op een berg zou staan. Bij een moskeetje werden we naar iemand verwezen die meer zou weten. De man was aan het vissen, maar werd door zijn eega gehaald. Ik kreeg al wachtende even de tijd om te zien hoe men buiten een kampung, vrij in het bos woont, dat zag er heerlijk simpel uit. Stapels brandhout, sago, klapper en andere bomen om het huisje, de zee voor de deur. Vader was binnen een half uur ter plekke, hij had allerlei vissen mee die hij net gevangen had, die volgens mij geen slecht figuur in een aquarium zouden slaan. Hoe mooier de kleur hoe lekkerder ze waren, volgens mevrouw.

Uit het zeewateraquarium

We gingen op weg, achter het huis door het bos liep een pad, dat al gauw zeer steil omhoog ging. Al snel baadde ik in mijn eigen zweet, het was net na 1300 uur, zo ongeveer het heetste moment van de dag, ook merkte ik wat de gevolgen van de zo goed smakende kreteks zijn, afijn de tanden op elkaar en doorbijten. De wandeling ging door iets wat door veel mensen uit de gematigde klimaatzone jungle genoemd wordt. In feite is het gewoon bos, vol fruitbomen en dergelijke. In de jungle waagt een gewoon mens zich niet, want die heeft daar niets te zoeken. In het echte oerbos moet men zich een weg vooruit kappen, die zodra men voorbij is onmiddellijk weer dichtgroeit. Plus al het ongedierte zoals bloedzuigers en muggen, slangen en nog veel meer dat kruipt, vliegt en vooral steekt en bijt. We waren een paar honderd meter op weg toen ik ineens een luide klap hoorde en alle sterren van de melkweg zag. Ik werd vanachter door de sopir opgevangen, omdat ik het pad vol stenen goed in de gaten hield had ik een zeer dikke stam van een nootmuskaatboom, die was omgevallen niet gezien en had daar nogal hardhandig mijn kop tegen gestoten, want dat was de hoogte waar hij ooit was blijven hangen. Gevolg een wond op mijn voorhoofd die bloedde. Ik veegde het bloed af en nadat de sterren verdwenen waren en ik was bijgekomen zei ik: “Laten we verder gaan”. Na 500 meter was er een grot waar we gingen rusten, ik had het niet meer en wist niet hoe ik moest zitten, dat heeft wel 20 minuten geduurd. Intussen zat de man die ons begeleidde verhalen te vertellen over de toeristen die hier ooit geweest waren. Ook over een zekere John, 60 jaar oud, die ook zo nodig naar boven moest, hij deed dat bijna slingerend. Op de terugweg is hij ten val gekomen en heeft dit niet overleefd, hij viel van de rotsen en stond nooit meer op. Daar is nog een politiezaak van gemaakt, want men vertrouwde niet dat dit een ongeluk was geweest. We gingen weer verder, ik vroeg een paar keer is het nog ver, 300 meter, ik wist eigenlijk niet meer waar ik was, ik duizelde en voelde me alsof ik dronken was. Weer stoppen, ik ging op een boomstronk zitten, om na te denken. Ik dacht aan John en dacht aan mezelf, bijna 58 jaar oud, misschien wel te oud voor dit soort spontane expedities, dit vraagt wat meer nadenken. Ik wist echter van tevoren niet waar ik aan begon, gezien de summiere informatie die ik had. Ik dacht een ruïne te gaan vinden. Het is tegen mijn gewoonte hetgeen ik begonnen ben op te geven, doch ik verlangde er nu hevig naar, ik had het gevoel dat er iets niet geheel goed met me was. De begeleider echter vertelde zulke interessante verhalen over het fort, dat echt iets heel bijzonders scheen te zijn, geen stenen gebouw, maar een natuurlijke plek in de rotsen, die door de VOC in 1638 op de Molukkers was veroverd. Ik baalde van mijn beslissing en dacht zal ik toch….maar nee, dit keer liet ik het verstand prevaleren over de zogenaamde wilskracht. Er werd een stok voor mij gesneden, en langzaam wankelde ik steunend op de stok naar beneden, zoals zo vaak in dit soort bergland is dalen moeilijker dan omhoog gaan. Ik voelde me belazerd, ik was dolblij dat we weer bij het huis waren aangekomen. Daar werden wat lege rijstzakken op de cementen vloer uitgespreid en ging ik liggen, dat had ik hard nodig, ik kreeg zelfs een kussentje onder mijn hoofd.

 

Vijandige pohon pala

Terwijl ik daar zo voor Pampus lag, begon het ineens vreselijk hard te regenen, en moest ik lachen, stel je voor dat we daar boven hadden gezeten, dan had de berg afdalen een onmogelijke zaak geweest op dat glibberige pad vol stenen. Ik dacht aan mijn stadsgenoot JC die over dit soort situaties pleegt te zeggen: “Elluk nadeel hep se voordeel”, Ik zie het liever als de hand van God die mij met iets ergs voor nog erger behoedt.  Met air kelapa muda kwam ik weer terug in de wereld. Ik besloot, als mijn toestand niet te erg zou zijn, weer hier terug te keren, maar dan op een moment vroeg in de ochtend, als het nog koel was. We gingen terug naar Suli, in de stromende regen. Ondanks dat het vrij hard regende zag je nog mensen buiten en kinderen in de regen spelen. Dat laatste komt mij als vrij gewoon voor, want het water dat uit de hemel komt is warm water. Hoe anders is dat op Java, bij een paar druppels, duiken die Javaantjes allemaal weg en vallen al hun activiteiten stil. Na twee dagen regen zijn er velen ziek. Altijd klagen over het weer, nooit is het goed, of te heet of te koud, van elk weertype wordt de Javaan ziek, een zwak volkje. En als ze niet over het weer klagen zijn het wel de leefomstandigheden, daarbij zijn het grote rippers, vaak op oneerlijke wijze. Ik vind de Molukkers qua uiterlijk aantrekkelijker er uit zien dan de gemiddelde Javaan. Zelfs als die Molukkers wat ouder zijn zien ze er nog goed uit, waar de Javaan na zijn 30ste al uit elkaar begint te vallen. Zeker die vrouwen op Java die altijd maar met bedak aan het smeren zijn, wat ze een ongezond wit uiterlijk geeft. Ook is de lach van de Molukker in het algemeen spontaner, ik heb een hekel aan dat gemaakte gelach van de Javaan, daar zit voor mij iets heel vals achter. Door zijn gedrag komt de gemiddelde Javaan bij mij over als een toneelspeler, op de Molukken zijn de mensen hun zelf, dat maakt ze in mijn ogen aantrekkelijker, ze lijken me ook eerlijker, maar om eerlijker te zijn dan een Javaan is niet zo moeilijk, hun cultuur dwingt tot voortdurend liegen en opscheppen, hun leven is een verzinsel,. Het bevreemd mij altijd dat ik het al jaren op dat eiland Java uithoudt, terwijl er mij toch veel tegen staat daar. Dat wordt erger als ik in de buitengewesten kom, want dan zie je hoe Indonesia door Java overheerst wordt, de kolonie Nederlands Indië overheerst door de Blanda’s is de kolonie Indonesia beheerst door Java geworden.

Inmiddels waren we terug bij het hotel, het regende nog steeds. Ik gaf de sopir 325 en hij bleek zeer tevreden en maakten we een afspraak voor zondag, als ik naar het vliegveld zou gaan, om naar Namlea op Buru te vliegen. Ik ben meteen in ruste gegaan, doch van slapen kwam er weinig, het duizelde me nog steeds. De volgende dag heb ik nauwelijks iets gedaan, behalve veel aspirientjes slikken.

 


Masohi op Ceram....

Bij het hotel informeerde ik hoe laat de snelle boot naar Masohi op Ceram zou gaan, ik kreeg verschillende vertrektijden, variërende van  0630 tot 0900 uur, door. Het bekende verhaal als je informatie in Indonesia wilt hebben, de juiste gegevens zijn nooit voorhanden, of men geeft  meerdere mogelijkheden, zodat de juiste er eventueel tussen zit. Ik besloot geen risico te nemen en stond om 0530 op, om 0600 uur in de ochtend stond ik aan de kant van de weg naar Tulehu en hield een ojeg aan. Ondanks dat de  tukan ojeg had een dikke trui en jas aan had, bibberde hij van de kou. Ik zat in een T-shirt achterop en genoot van de frisse ochtend, vlak rond zonsopgang, zo een ochtend die een lange dag met mooi weer beloofd. Om 0620 uur kwam ik bij het vertrekpunt van de snelboot naar Masohi op Ceram aan, alles was nog in diepe rust. Bij het loket stond 0900 uur vermeld, dus had ik nog ruim 2,5 uur vol te maken. Zo gaat dat in Indonesia. Ik liep terug naar het dorp, ging een rumah makan binnen en bestelde koffie, kopi gula zoals dat hier heet. Hoewel het nog vroeg was, was de stemming in het eethuis zeer gezellig, het leek wel een Amsterdams koffiehuis vol bouwvakkers. Al snel zat ik vreselijk te lachen met de mannen daar, er zaten veel tukan ojeg tussen, want buiten kwam het water inmiddels met bakken uit de lucht. Ik werd natuurlijk vele malen gevraagd wat ik op Ambon deed, forten fotograferen luidde dan mijn antwoord. Er is hier ook nog een ‘benteng’ werd mij verteld, een benteng Belanda. Ik was verbaasd, ik had daar geen informatie over, maar het zou best kunnen, gezien de ligging van Tulehu. Ik verzocht de twee tukan ojeg mij maar meteen daar naartoe te brengen, daar ik nog wel een uur de tijd had, het scheen niet ver te zijn. We stopten bij een huis, gingen door de poort naar achter het huis en klommen een heuvel op, hier is de benteng zeiden de mannen, ik keek naar een betonnen blok van 2 x 2 meter en begon te lachen. “Dit is een Japanse bunker”, zei ik. De Japanners hadden in WO II een leger van 25.000 manschappen op Ambon, voor hun verdediging tegen geallieerde luchtaanvallen hadden ze bunkers van gewapend beton gebouwd. Er werd mij nog verteld dat er onder de heuvel een groot gangenstelsel moest zijn met verschillende in- en uitgangen. Dat kende ik van Manokwari te West Papua dat ook een uitgebreid bunkerstelsel verbonden door gangen kent, er schijnen daar onder de grond zelfs ruimtes te zijn waar een heel vrachtwagenpark in past. Ik maakte een foto voor de lol, bunkers hebben mijn belangstelling niet, want er is nauwelijks iets aan te zien. Het woord benteng heeftt diverse betekenissen in het bahasa Indonesia, niet alleen fort maar ook een sterke muur, of  bijv. benteng Islam, een bolwerk van de Islam. Inmiddels was het tijd om naar de boot te gaan. Bij de steiger kocht ik een kaartje voor de Cantika Inova, prijs 125.000 Rp , dit was VIP klas, met AC natuurlijk.

Eindelijk eens een tripje met een echt schip, met reddingsvlotten en in de VIP klas zelfs reddingsvesten. De boot vertrok op tijd en was niet vol. In de VIP ruimte oude vliegtuigstoelen uit een bisnisclasse, een grote TV met karaoke muziek. Toen we op zee waren vervangen door een Aziatische gehaktdagfilm met om de minuut een bloederig lijk veroorzaakt door een gruwelijke moord uit wraak. Daar het ijs- en ijskoud in de VIP ruimte was, verhuisde ik naar Ekomie en ging in de zon op het achterdek staan, even lekker doorwarmen. In zo een Indonesische VIP klasse zitten alleen maar patserige figuren, die denken dat ze iets zijn, voortdurend in hun HP’tje te kletsen. Toen ik op het achterdek stond, kwam er en jongeman op me toe die ook in de VIP klasse had gezeten, hij begon me te ondervragen, aan zijn kapsel en de manier waarop hij vroeg zag ik dat hij, hoewel in burger, van de politie was. Weer gezeur over een izin, een surat jalan dit keer, die ik nodig zou hebben om naar Ceram te gaan. Ik kapte het gesprek onmiddellijk af, door te vertellen dat ik genoeg stempels van de imigrasi in mijn paspoort had, dat al mijn gegevens al op Pattimura airport waren opgenomen, dat moest ruim voldoende zijn. Een toerist had wel iets anders te doen dan constant de politie bezig te houden met nog meer gegevens waar verder niets mee wordt gedaan. Hij nam genoegen met dit antwoord, gelukkig maar, want al mijn  papieren lagen nog in het hotel. Ik heb nogal een hekel aan die overdreven dienstklopperij, doch weet dat zo een politieagentje niet terug heeft van een kortaf gesproken zakelijke toon, waaruit blijkt dat je goed bent geïnformeerd over je rechten en plichten als orang asing in Indonesia.

Interieur Cantika Inova VIP kelas

Vanaf de Selat Seram is te zien dat Ceram een ruig eiland is met hoge bergen, sommige meer dan 3000 meter hoog. Het is half zo groot als Nederland en 340 kilometer lang. Dit er even bij vermeldt, omdat veel mensen er geen voorstelling van hebben hoe groot Indonesia in werkelijkheid is. Ik heb het hier over zomaar ‘een eiland’, er wonen op Ceram slechts 200.000 mensen, dus ook nog eens zeer dun bevolkt. Tijdens de tocht werd ik weer verrast door een school dolfijnen, echter ze sprongen niet boven het water uit, maar hun driehoekige vinnen die boven water uitkwamen en manier van zwemmen waren duidelijk te herkennen. Na 1,5 uur kwamen we aan bij het haventje van Amahai. Voor de terminal stonden taksi en ojeg, ik liet me verleiden tot een taksi voor 50.000 Rp naar Masohi, de “hoofdstad” van Ceram. Masohi was een 2x 3 baansweg, zeer ruim opgezet, met kleine huisjes en warungs aan weerszijden, plus een winkelcentrum van enkele etages hoog, en dan had je het wel gehad. De sopir en zijn hulpje bekenden daar dat ze niets afwisten van het doel van mijn reis naar Masohi, een fort dat zich daar zou bevinden. Hoe ik ook probeerde ik kreeg geen gehoor. Ik rekende af en stapte uit bij de “mal” en zocht een restaurantje om wat te gaan eten. Daarna op zoek naar het fort, ik liep het politiebureau binnen, maar mijn vraag wekte stomme verbazing, ik wist toen wel genoeg, waarschijnlijk was mijn info foutief. Masohi is op een dag tot administratief centrum van Ceram benoemd, zag er nieuw uit, nergens een oud d.w.z. een vooroorlogs gebouw. Ook hier was overal duidelijk de vernietiging te zien die de godsdiensttwisten hadden veroorzaakt.

Ceram heeft in de koloniale tijd weinig betekent, het eiland was woest en onbegaanbaar, en werd bewoond door gevreesde koppensnellers, de Alfuren. Pas aan het einde van de 19e eeuw vestigden de Nederlanders hun macht op Ceram en hebben het eiland daarna “gepacificeerd”. Er waren voor mij redenen genoeg om aan te nemen dat het fort er waarschijnlijk niet was. Ik ging daarom maar wat wandelen en schoot hier en daar een fotootje in dit “gat”. De bevolking lijkt al meer op Papua’s met andere soorten Indonesiërs ertussen door, want er zijn diverse transmigratie projecten geweest. Hoewel er in dit soort plaatsen geen zak te doen is, is een bezoek aan zo een oord altijd leuk. De mensen zien nauwelijks een toerist en zijn daarom zeer vriendelijk. Als men bahasa Indonesia spreekt is een bezoek aan een plaats als Masohi altijd de moeite waard, want juist op dit soort plekken blijkt hoe vriendelijk en onbevangen de gewone Indonesiër kan zijn. Je moet er natuurlijk wel tegen kunnen dat iedereen je aanstaart. Op dit soort momenten krijg je een diep medelijden met toeristen die naar het meer dan volle Java en Bali gaan, die stinkende modderpoel van overbevolking.

 

Kerk in Masohi

Masohi Plaza aan Masohi 'Main Street'

Ik ging weer op weg naar Amahai, want er zou om 1400 uur een snelle boot naar Tulehu vertrekken, anders was ik aangewezen op een veel langzamere, die er langer dan 3 uur over zou doen. Aan het begin het plaatsje liet ik me afzetten en nam wandelend een kijkje. Er is altijd wel iets te zien in dit soort haventjes. Voor de terugreis kocht ik een ticket ekonomie en ging op het achterdek staan. Ik zag Nusa Laut, Saparua en Haruku van een afstand, af en toe een vliegende vis, dit wonderlijke dier had ik jaren gelden voor het eerst in Sri Lanka gezien, behoorlijk spectaculair, want je denkt dat het een vogel  is, die uit het water opstijgt en er weer in duikt. Met Ambon in zicht begon het weer slecht te worden, donkere wolken pakten zich samen en een wind stak op, op de golven waren schuimkoppen te zien, de boot slingerde iets maar niet iets om ongerust over te worden, want echt klein was deze boot niet te noemen. 1530 uur was ik weer in Tulehu. Mijn kop voelde stevig verbrand en op mijn armen waren blaasjes van de zonnebrand te zien. Ik ging wat eten en daarna terug naar mijn hotel.


Toer naar Buru, gevangeniseiland van de Orba….

Toen ik contact met Merpati opnam om er achter te komen of er nog veranderingen in het ‘schedule’ voor de vlucht naar Namlea waren, hoorde ik dat de vlucht van Zondag vijf dagen was verschoven. Dat was mij te lang wachten, ik had inmiddels vernomen dat er elke dag een snelle boot naar Buru vertrok, dus vroeg en kreeg ik een refund voor mijn ticket. Zondagochtend is het op Ambon stil, af en toe luidt er een kerkklok, er is bijna geen verkeer op de weg, men is zeker bang dat de Heer wordt gestoord door al die open uitlaatjes, terwijl Hij rust aan het nemen is vanwege de zware mislukkingen van zijn Schepping, vooral op Ambon en omgeving. Tegenwoordig denkt de Heer na over zijn eigen zonden, de fouten die hij bij zijn schepping van Alles heeft gemaakt. De regen kwam weer eens met bakken uit de lucht, dáár was de Heer erg royaal mee de laatste dagen. Toen ik in de lobby van het hotel iets te drinken ging halen zat daar een heuse dominee. Het bleek dat hij een dienst voor het personeel zou gaan houden. Er is een groot gebrek aan kerken momenteel, daarom is er de “pendeta keliling”, zoiets als de SRV man, geloof aan de deur gebracht. Er werd aan mij gevraagd of ik mee wilde doen, mijn antwoord luidde ”nee”. Maar voordat ik er erg in had was de dienst al aan de gang. Om zomaar weg te lopen vond ik beledigend, dus bleef ik zitten, een westerling is tenslotte per definitie een christen, daarbij waren wij Nederlanders degenen die het Protestantisme naar Ambon brachten.  Er werden psalmen gezongen en uit de bijbel voorgelezen. Dit ritueel duurde slechts een kwartier, voor ik er erg in had was het afgelopen, na afloop koffie en koekjes. De Dominee begon tegen me te spreken, uiteraard met het soort zalvende stem dat bij zo een persoon hoort. Ik heb weinig over het geloof te melden, zeker niet over het zwarte kousen geloof, dus zei ik maar tegen de man dat mijn plek in de hel al was gereserveerd, ik hoefde me nergens druk over te maken, slechts dit aardse leven tot een mooi en goed einde brengen. Levend zonder echte vrees voor God, die voor mij iemand is die gezellig in mijn leven meedoet, als een van de onderdelen, zeker niet het belangrijkste, maar ook niet te verwaarlozen, Hij gaf vaak van zijn aanwezigheid blijk, omdat Hij een engeltje op mijn schouder had geplaatst, om mij te behoeden voor grote ongelukken. De Dominee moest verder, er wachtten nog vele zwarte schaapjes op zijn bezoek vandaag.

De taksi die ik had besteld kwam voorrijden, voor de rit naar de haven van Ambon. Daar kocht ik een kaartje voor de Express Bahari XI prijs 155.000 Rp. kelas eksekutip. Het zou nog een uur duren voordat het schip vertrok, dus ging ik eerst even eten in mijn inmiddels favoriete RM Padang, waar ze allerlei heerlijke visjes hadden plus een charmante loensende serveerster met een T-shirt waarop stond “Were you was when it happend” Na goed gegeten te hebben ging ik naar de boot, checkte onmiddellijk in. De afvaart was vrij spoedig. Ik was hoogst verbaasd, de boot was vrijwel leeg. Een immens schip, in 2002 te Batam gebouwd, voor minstens 300 passagiers, misschien was slechts 25 % van de zitplaatsen gevuld. De ruimtes voor de passagiers hadden de zelfde indeling als een Boeing 747 dus 3–5–3, in compartimenten met 5 rijen zitplaatsen, ruimer dan een vliegtuig, comfortabel. Compleet met blèrende TV, buiten was het grijs en zwaar bewolkt, de golven droegen schuimkoppen. De tocht op een bijna leeg schip en het weer buiten had iets onwezenlijks, in waande me eerder in “Het Kanaal” tussen Dover en Calais op een februaridag, dan tussen Ambon en Buru. Vanuit het raam zag ik diverse vliegende vissen, verder niets behalve golven. Op een gegeven moment kwam de zuidwestpunt van Buru in zicht, weer vrij hoge bergen, doch de af te leggen afstand was nog groot, Namlea ligt aan een baai op de Noordwest punt. Precies tegen zonsondergang kwamen wij daar aan, het moment was schitterend. Echter in het donker aankomen in een onbekende plaats vind ik nooit zo geslaagd. Ik leid dan aan desoriëntatie, vraag me voortdurend af waar ik ben. Ik charterde een taksi en liet me naar een hotelletje in de stad brengen, prijs voor een kamer 100.000 Rp met AC. Daarna even wandelen in een duistere omgeving waar nauwelijks iets te onderscheiden valt, op zoek naar eten. Ik vond een rumah makan waar ik nasi, twee visjes met groenten at, plus een es teh manis. De rekening van 30.000 Rp leek me aan de hoge kant. Maar er liepen zoveel kinderen in dat eethuis rond, dat moeder vast dacht, hé een bule even rippen. Het overkomt mij zelden in een eethuis. Ik ga ook niet in discussie, kom gewoon nooit meer terug.

De hotelkamer waar ik verbleef bevond zich aan de voorkant aan de hoofdstraat van Namlea, ik vreesde het ergste voor mijn nachtrust, maar weet ook wel dat in dit soort oorden de mensen vroeg op één oor gaan. Ik stond bij zonsopgang op, ik keek uit het raam, het eerste wat ik zag was een afgebrande kerk……het teken dat ik nog in de Molukken zat. Het ontbijt was een kopje thee en een stuk cake in dusdanig feestelijke kleuren dat ik het maar heb laten staan. Ik ging vroeg op pad alweer zoekend naar een boot. Ik had gegevens dat er in Namlea een fort moest zijn, in de 19e eeuw gebruikten Amerikaanse walvisvaarders de baai en in hun verhalen kwam er een goed gebouwd fort met de naam “Defensie” voor. Dit werd bemand met 8 Europeanen, w.o. een commandant, een dokter en een controleur, plus Javaanse en Madurese troepen. Ik had echter ook iets gelezen over een fort in Cajalie. Op gevoel besloot ik naar Kayeli te gaan, toen ik bij de steigers in Namlea informeerde bleek daar inderdaad een fort te zijn. Transport was weer moeilijk, doch ik kon meevaren met een boot die proviand bij een houtkapbedrijf ging afleveren. De baai van Namlea is minstens 10 kilometer breed, afgesloten door twee kapen, Tanjung Kerbau en Tanjung Waat, een perfecte natuurlijke haven en schitterend om te doorkruisen. Nadat de voorraden voor het houtbedrijf waren afgeleverd, voeren we naar Kayeli, een plek met een 50-tal huizen, we voeren een klein riviertje op, waar we aan land gingen. De booteigenaar was afkomstig uit deze plaats en bracht me naar het fort dat aan het eind van het dorp lag. In de verte zag ik al de poort en toen ik dichterbij kwam zag ik daarop in grote letters VOC staan. Ik had echt mijn dag vandaag. Boven de poort stond een heel verhaal in steen :

Gebouwt onder de Regeering van Den Weledelen Agtbaren Heer BERNARDUS van PLEUREN Gouverneur en Directeur deeser Provintie Amboina onder het Opzigt van den Bockhouder
En Opperhooft deeser Comtoire                          Ls In HACA


Daaronder een steen met het bekende logo : VOC  - 17..  (afgebroken). Ik maakte mijn foto’s in en rond het fort, dat een plek was geworden waar koeien graasden. Er liepen een behoorlijk aantal brutale jongetjes uit de kampung mee, die ik met moeite voor mijn lens kon weghouden. Maar een geintje doet een hoop, vragen of ze hun knappe zuster even kunnen roepen, dat is veel leuker op de foto enz. Dat vonden ze blijkbaar zo grappig dat ik ze snel onder controle had, net zoals de VOC deed met hun verre voorouders

Aankomst in Kayeli

Het eiland Buru was in de Portugese tijd vrij belangrijk, er groeiden kruidnagelen en de Baai van Kayeli was een beschut en strategisch punt. De Portugezen slaagden er zelfs in om een gedeelte van de bevolking tot het katholicisme te bekeren. Hetgeen in 1558 na verovering van door Ternate weer teniet werd gedaan door de bevolking tot de Islam te herbekeren. Omstreeks 1650 ‘expireerde’ de VOC alle kruidnagelbomen op Buru en daarna is het eiland in een toestand van vergetelheid geraakt. Later kreeg het bekendheid door de productie van minyak kayu putih en na 1965 werden er duizenden personen verdacht van communistische sympathieën door Soeharto naar dit eiland verbannen en werd Buru verboden gebied voor buitenstaanders. De bekendste Indonesische schrijver P.A.Toer heeft daar lange tijd, werkend in de sawa, doorgebracht en zijn 4 bekendste romans hebben daar vorm gekregen, doordat hij ze aan zijn medegevangenen vertelde. Waarschijnlijk heeft hij zijn reputatie als potentieel kandidaat voor een Nobelprijs aan dit eiland te danken, want in mijn optiek zijn 3 van de 4 romans niet de moeite van het lezen waard. Niet beter dan keukenmeidenlectuur, waarin een Javaan hoog over zichzelf opgeeft, vermengd met al lang achterhaalde rode theorieën.

Na het fotograferen gingen we koffie drinken, en kletsen natuurlijk, bij familie van de schipper. Ik hoorde dat Kayeli de vroegere hoofdplaats was van Buru, zelfs met een “raja”, maar dat was in de Molukken heel gebruikelijk, iedere plaats had zijn “koning”. Uiteraard gingen de gesprekken ook over corruptie, dat is gebruikelijk in Indonesia als je met mensen spreekt die geen toegang hebben tot de geldstromen, zij die dat wel hebben zwijgen in alle talen en gedragen zich daarbij zeer arrogant. Het is vaak niet moeilijk om te zien hoe iemand aan zijn geld komt in dit land. Ik moest nog onderhandelen over de boot die  mij terug zou brengen, het was al na de middag en dan steekt de wind op en kan er door de hoge golven niet meer gevaren worden. Door een misverstand had ik niet van tevoren een prijs afgesproken, vaak een gevaarlijke situatie, doch we kwamen op eenvoudige wijze 250.000 Rp overeen, misschien wel een stevige prijs, ik had echter resultaat geboekt via een paar aardige mensen, die moet je wat gunnen. Zo een rijk leven heeft men hier niet. Op de terugweg sloeg het water inderdaad vaak over de boot heen, we waren net onderweg of ik was al kletsnat en verhuisde naar achterin, waar er zeilen lagen, daarachter kon ik me verschuilen. Inmiddels hing mijn huid in lappen om mijn armen en op mijn gezicht, door die tripjes op zee verbrandde mijn vel steeds, hoewel er van zonneschijn niet echt sprake was. Zelfs de witte huid die onder de donkere huid tevoorschijn kwam was al verbrand. Ik ben de zon niet meer gewend, meestal mijd ik die zoals alle Indonesiërs, omdat deze veel te heet is. Ik hoef ook niet thuis te komen met een bruin verbrande kop en iedereen horen zeggen : “Jeminee, wat zie jij d’r goed uit….”

 

Een Buginees huis, op zee



Van Namlea terug naar Ambon….

Ik besloot nog een dag te Namlea te blijven, wat rondwandelen, eventueel kletsen met personen die iets interessants te melden hebben. Zoals ik al vertelde, Engels sprekenden zijn in dit soort gebieden zeer dun gezaaid. Ik kan dit niet precies bepalen, want ik bedien me in dit land uitsluitend van bahasa Indonesia, Engels ga ik uit de weg. Ik heb op Buru maar één jongedame ontmoet die redelijk Engels sprak. Dat neemt niet weg dat je veel in het “Engels” wordt aangesproken. Jongeren die hetgeen ze op school geleerd hebben in de praktijk willen brengen. Ik kan helaas niet het geduld opbrengen naar dat gestuntel te luisteren, omdat het altijd om een standaardconversatie gaat, die waarschijnlijk uit de schoolboekjes komt. Soms dromt er een groepje om je heen die dan hun Engels op jou gaan uitproberen. Ik zeg dan onmiddellijk “Sedang apa, mencoba bahasa Ingrissku? Ayam sori aku bukan orang Inggris’, daarna valt er even een stilte…en breekt er een gelach uit. Vaak ben ik al in het bahasa Indonesia aan het praten en wordt mij gevraagd : Bisa ngomong bahasa Indonesia?” Het liefst onderhoud ik me met oudere personen die over vroeger kunnen vertellen. Zoals de Japanse bezetting, de eerste jaren van de revolutie, en overleveringen van hun ouders. Over Buru kan je nog de speciale vraag stellen: “Hoe was het toen al die communisten hier kwamen?”

Buru is 9000 km² groot, dat is anderhalf maal Bali, de bevolking bedraagt ongeveer 60.000 mensen, waarvan de helft in Namlea en omgeving is gevestigd, uiterst dun bevolkt kan je wel stellen. Deze bevolking bestaat voor 50% uit mensen van Buru en andere eilanden van de Molukken, het restant zijn “pendatang” zoals Bugis, mensen uit Buton op Sulawesi en Javanen, de laatsten kwamen in Buru terecht via een transmigrasi programma. Aan de zeekant van Namlea zie je de huizen van Bugis op palen boven het water. Ik heb eigenlijk weinig paalwoningen in Ambon en omgeving gezien, men zegt dat de zee daarvoor te ruw is. De zee is hier zeer overvloedig bevolkt met vele soorten vis en schaaldieren. Vanochtend stopte er een man op een brommertje die bood mij een kreeft aan van zeker een kilo of 4, een monster. Ik ging later in een restaurantje ontbijten en heb daar een visje laten roosteren, waar ik de naam van vergeten ben, maar het was een platvis met een tijgerachtige gekleurde huid, men had het over een ikan batu, bijzonder lekker, daarbij rijst, lalapan plus twee koffie voor 20.000 Rp een gewone maaltijd kost hier max. 10.000 Rp. Aan de steigers liggen boten die naar alle delen van het eiland varen. Ik denk dat een “trekking” op Buru een fantastisch avontuur kan wezen, er leven nog traditionele volkeren, er schijnt een mooi meer in het centrum van het eiland te wezen, stranden in overvloed en ik denk dat duikliefhebbers hier ook aan hun trekken kunnen komen.

Het lijkt wel alsof ik reclame zit te maken. Nee, dat doe ik niet, ik denk alleen maar aan die mensen die op vakantie naar Java en Bali gaan, zonder hun blik verder te laten gaan, sommigen gaan nog naar Sumatera, dat is voornamelijk om zwaar gesubsidieerde mensapen in hun natuurlijke omgeving weg te zien kwijnen. Het blijkt gewoon dat bijna al die toeristen die naar Indonesia komen het zelfde doen en gaan zien, als voorgeprogrammeerde robots reizen ze naar een paar plekken op 2 - 3 eilanden en hebben dan Indonesia gezien. Indonesia is zo immens groot, dat 3 mensenlevens waarin men voortdurend vakantie heeft, waarschijnlijk niet voldoende zijn om alles wat het land te bieden heeft te bezoeken.. Ik dwaal vreselijk af, terug naar Namlea, Buru.

Het eiland Buru is ook op 14 maart jl. bezocht door een tsunami en daarna een aardbeving van 6,4 op de schaal van Richter. Nogal hevig, doch in het Westen weten ze inmiddels wel wat een tsunami inhoudt en schrikken ze daar alleen nog maar door een grotere ramp, de golven sloegen “slechts” 5 kilometer het land in. Omdat er bijna geen mensen op Buru wonen  100’en huizen ver