| |
| Op
Ambon woont een meisje.... |
|
|
Mijn reis naar Ambon begint op Setasiun Balapan, Solo
met de expresse van 08.27 WIB de Sencaka Pagi, naar Surabaya.
Vanaf Solo noch Yogya wordt rechtstreeks op Ambon gevlogen, het
eerste stuk van de reis is over land. Ik stap de
restauratiewagon binnen, daar is het altijd rustig,
het personeel slaapt graag op die plek, tussen het werk
door, niet omdat het werk zo zwaar is, maar slapen is voor de
Javaan zoveel aantrekkelijker dan werken, daarvan wordt men niet
rijk, doch als men
slaapt kan men zich rijk dromen. Omdat op alle banken gelegen
wordt is er slechts een bankje vrij, recht tegenover een jonge
bule. Nou is het vaak gevaarlijk, waar dan ook in Indonesia, om
zo dicht bij zo een blanke toerist te gaan zitten. Veel van die
vakantiegangers zijn graag alleen in het land van hun
toekomstige reiservaringen, één met de bevolking, deel wordend
van het land zelf, de lokale cultuur opsnuiven en zo. Ik
mompelde een zacht maar vriendelijk “good morning” dat even
vriendelijk werd beantwoord. We raken in gesprek, hij blijkt
Nederlander te zijn, ik maak hem een compliment met zijn goed
uitgesproken Engels, geen minister Van den Broek-kloon. Hij
verteld het bekende verhaal van studeren, een jaar praktijk, dan
een jaar op reis, via Z.O. Azië richting Australië en China.
Hij was nog niet lang onderweg en kreeg al snel een hekel aan
zijn mede-rugzakdragers. Had al het een en ander in Indonesia
gezien en gedaan, met een Pelnischip van Pulau Bintan naar
Tanjung Priok, de Papandayan en de Galunggung beklommen. Naar de
Kebon Raya en de Borobudur, aan beiden vond hij geen zak aan en was
nu op weg naar Madura, waar ik hem veel over kon vertellen, ik
was daar net afgelopen jaar voor de derde maal geweest. Toen de
trein setasiun Gubeng te Surabaya binnenreed waren we nog zeer
geanimeerd aan het kletsen, deze rit was omgevlogen. Ik was weer
bijgepraat door een lid van de jongere generatie, hoe die
tegenover reizen staat, die evenals ik, op die leeftijd, graag
onderweg afboog van het zo diep uitgeholde karrenspoor dat van
Bangkok naar Sydney loopt.
Die avond in Surabaya ontmoet ik een oude vriend, een
Ambonees, Siem L., geboren voor WO II in Magelang, in het
Militaire kamp aldaar, zijn vader was een Knil’er. Hij woont
nu in Groningen, via Hollandia op Nieuw Guinea kwam hij daar
terecht. Ondanks zijn 76 jaar heeft de man een geheugen waar je
paf van staat, hij is mijn lopende Nieuw Guinea encyclopedie. Ik
mag graag verhalen van Oudindisch gasten aanhoren, zeker als hun
tempo doeloe fantasie niet op hol slaat, veel van die gasten
hebben daar last van, denkende dat wij blanda’s nooit iets van
“hun” Indië gehoord of gelezen hebben. Hij verbleef in
Krembangan te Tanjung Perak, bij zijn broertje, 75 jaar oud. In dezelfde steeg waar hij in 1939 kwam wonen, nu de Jl.
Ketumbar, toen de Kraaiensteeg. Ik kreeg verhalen van vroeger te
horen over de plek waar ik op dat moment zat, in die jaren een
echte Indowijk. Over de Japanse inval, Siem was toen 12 en
hoefde niet meer naar school, wat is er mooier voor een kwajongen van die leeftijd. Uren heb ik voor het
huis midden in de steeg zittend, genoten van deze levende
geschiedenis. De avond werd afgesloten met gule en sate kambing.
De volgende ochtend zat ik na een hotelontbijt, snelle
koffie en een half bord nasi goreng met de smaak van
maagvulling, in een taxi op weg naar de airport. Eigenlijk had
de sopir taksi al bij het vertrek mijn argwaan opgewekt toen hij
iets te vriendelijk vroeg: “Pakai argo iya tuan ?” Bij een
stoplicht hoogstens een kilometer van het hotel zag ik dat de
meter al op 9000 Rp stond, tijdens het wachten 3x versprong met
glibberige sprongetjes van 300, 200 en 100 Rp, en wist ik dat ik
in een taksi met een argo kuda zat. Er was nog de mogelijkheid
om uit te stappen, wat vast tot een hevige ruzie zou leiden, om
geld, daar gaan ruzies in Indonesia altijd over. Zou ik daarna
snel genoeg een andere taksi kunnen krijgen ? Met bagage op een
kruispunt midden in de stad is vragen om moeilijkheden. Ik
besloot te bidden dat het bedrag niet al te hoog zou worden. Zo
vaak wordt ik ook niet geript, af en toe moet men een lesje krijgen om niet te vergeten
in wat voor land men verblijft. De sopir taksi babbelde vrolijk
over allerlei onbelangrijkheden door, ik zette het op een roken
met de raampjes open, door de herrie van de ochtendspits hoefde
ik de man niet aan te horen. Ik bad tevens dat ik bij aankomst
op de airport niet een al te vreselijke hekel aan hem zou hebben
gekregen en alsnog een conflict zou maken. Ik trachtte op de voorhand mijn verlies te nemen. Hier
neem je wat daar laat je wat. Aan het eind van de rit bedroeg de
schade 120.000 Rp, hij had een goede dag, ik ook want ging
alweer vakantie houden. Hij overhandigde me mijn koffer en ik
zijn snel verdiende duit haram en maakte dat ik in de menigte
wegkwam.
De vlucht naar Ambon via Makassar, werd uitgevoerd met
een Wings MD-82, code PK-WIF, (Wereld Impotentie Fonds?) Het
vliegtuig vertrok op tijd, aan boord werd de passagiers een
bekertje water verstrekt door stewardessen, die er in hun rode
overalletjes een beetje dellerig uitzagen. “Vlieg is
goedkoop” (“Fly is cheap”) zo luidt de slogan van Lion Air
en dochter Wings, dat is duidelijk te merken. De MD-82 is verre
van mijn favoriet. Het toestel maakt duidelijk het geluid van
een straalvliegtuig, binnen in het lange toestel is het òf te
heet òf te koud. Ik prefereer de oude Boeings 737-200 uit de
1980’er jaren, waar vele Indonesische maatschappijen nog mee
vliegen, die klinken als een goed geoliede naaimachine en zitten
ook niet zo krap. Het oponthoud in Makassar duurde niet langer
dan 25 minuten, voor ik het wist waren we op weg naar Ambon, in
mijn window-seat 26A, door de bewolking echter was er nauwelijks
iets te zien. Mijn gedachten reisden mij vooruit en overal heen.
Naar Ambon en de Ambonezen, de ex-Knillers en hun nazaten
die in Nederland verblijven, die na een dienstbevel met hun
families per schip naar Nederland voeren, aanvankelijk voor 6
maanden, maar dat werden 10-tallen jaren. Met hun eigen
droomlandje, de RMS (Repoeblik Maloekoe Selatan), die eigenlijk
op Ambon e.o. gevestigd had moeten worden, die bij gebrek aan
belangstelling aldaar, voornamelijk in NL leeft. De
Ambonezenkampen, daar hebben we in NL in het verleden genoeg
last mee ondervonden, dus vergeet ik die maar. Als ik nog aan
Ir. Manusama, de president der RMS in ballingschap, terug denk,
die man keek altijd zo zielig, alsof hij het, tijdens een
spreekbeurt, in zijn broek had gedaan. Misschien was hij zo
treurig door het niet te realiseren ideaal. De Ambonezen en hun
“Eeuwig Verbond” met Nederland. De knillers uit Ambon werden
door de Javanen anjing-anjing Belanda genoemd, de honden van de
Nederlanders, als militair waren ze echte killers, de
keurtroepen, die voor Oranje en rood-wit-en-blauw door het vuur
gingen. Ik denk ook
aan kruidnagelen, Jan Pieterszoon Coen en Pisang Ambon, een
groen drankje dat ik nog nooit gedronken heb. Ik houd niet van
groene drankjes want associeer groen met gif Er speelt een wijsje door mijn hoofd:
|
|
“Op Ambon woont een meisje, waar
iedereen van zingt,
Omdat ze heel erg mooi is en ook om wat ze drinkt!
Reeds toen ze nog geen drie was en Mamma vroeg aan haar:
“Wat wil jij nu eens drinken?”, had zij haar antwoord klaar:
Ik wil klapper, klappermelk met
suiker want iets anders lust ik niet.
Ik wil geen appelsap of limonade, thee of koffie laat ik staan
En chocolademelk of orangeade smaken mij als levertraan!
Ik wil klapper, klappermelk met suiker, want iets anders lust ik
niet!”
|
|
Was dat de jaren 1950 of nog ouder? Trouwens air kelapa
met suiker is dat wel lekker? Ik denk ook aan Dede, een Amboneze
vriendin van jaren her, de meest jaloerse vrouw die ik ooit heb
ontmoet, verder had ze alles wat een vrouw moet hebben, toch
jammer. Ik ontmoet haar nog regelmatig, ze heeft een warung en
ben ik daar moet alles wat vrouw is op ruime afstand blijven.
Het vliegtuig
begint langzaam te dalen, ik ontwaar Hitu, het deel van Ambon
waar het vliegveld gelegen is, ik heb de kaart al zo vaak
bestudeerd dat ik de contouren van het eiland uit mijn hoofd
ken. Even later het vliegveld zelf een zwarte streep met aan de
uiteinden 2 zebrapaadjes, de MD-82 beschrijft gierend op z’n
rechterzijde nog een kilometers grote cirkel en vliegen we over
een wijde baai op de groter wordende streep toe, die zwart
asfalt wordt, dan een paar zwiepen, alle bladen aan de vleugels
omhoog, onder gepiep en gekraak wordt ik achter in de stoel
gedrukt en niet veel later klinkt het krakend: “Wie hep djast
lendit on Pattimura aipot”.
|
|

|
|
Wings
vlucht JT8786 richting AMQ op
het vliegveld Hasanuddin te Makassar
|
|
|
ALS
U OP DE FOTO'S KLIKT KUNT U EEN VERGROTING ZIEN
|
|
|
Ambon-stad….na oorlog komt zonneschijn
|
|
Pattimura Airport is een modern en
mooi vliegveld, het stationsgebouw ziet er nieuw en prettig uit.
Als ik bij de band op mijn bagage wacht wordt ik aangesproken
door iemand die zegt van de politie te zijn, ik vraag om zijn
legimitatie, als ik iemand die zegt van de polisi te zijn voor
me heb, controleer ik dat graag op waarheid, er worden in
Indonesia veel verhaaltjes verteld. Het bewijs dat hij werkelijk
van de politie is wordt zonder mankeren getoond. Ik mag meteen
meekomen of op mijn bagage wachten, ik kies voor mijn bagage,
mijn koffer verschijnt als een der laatste. De controle van mijn
paspoort ging snel en correct, ondanks dat mijn paspoort uit een
pak fotokopieën en een surat jalan van de plaatselijke politie
te Solo bestaat, daarom waarschijnlijk des te indrukwekkender.
Vanuit de comfortabele taxi op weg naar
Ambon-stad bekijk ik de vele skeletten en puinhopen van huizen
die zijn afgebrand tijdens de burgeroorlog die van 1999 tot 2003
woedde. Overal worden nieuwe kerken en moskeen gebouwd, toen de
oorlog begon, gingen die het eerst in de fik. Nog even, dan
kunnen de christenen en moslims bidden met een vriendelijk
verzoek aan de Allerhoogste, hun de kracht te geven wederom als broeders samen te kunnen leven, zoals zij dat
gedurende eeuwen al deden. Tenslotte zijn Allah en
Onze-Lieve-Heer één en dezelfde persoon afkomstig uit het
Midden Oosten, die gedachte zou kunnen verbroederen. Dat ze dat
niet eerder hadden kunnen bedenken, ik zou allang van mijn
geloof afgevallen zijn, de Oosterling echter kan zich een leven
zonder Hogere Machten niet voorstellen. De kloof tussen Islam en
Christendom wordt wereldwijd alsmaar groter. Mensen die nooit
naar de kerk gaan, nauwelijks iets van de
inhoud en betekenis van een geloof afweten, zijn fervente
moslimhaters geworden. Misschien wel terecht, want moslims
noemen zichzelf “ware
gelovigen” en de rest zijn de ongelovigen. Harde bewijzen dat de Islam meer waarheid bevat dan alle
andere religies ontbreken, het is tenslotte geloof.
Nadat ik een hotelkamer heb gevonden ga ik een wandeling
door Ambon-stad maken om de doorgezeten spieren wat op te
frissen. Ambon-stad maakt een deprimerende indruk, ik wandel
door een stadsdeel waar veel winkels geweest moeten zijn, meer
dan de helft is verdwenen, uitgebrande panden en braakliggende
stukken grond waar panden met de grond gelijk zijn gemaakt. Er
zijn veel mensen te zien die geen huis hebben, in afgebrande
panden bivakkeren, in hutjes van golfplaat, hout of gewoon op
straat wonen, stinkende vuilnis overal. De mensen zijn
vriendelijk, maar niet echt vrolijk, waarschijnlijk
getraumatiseerd door alles wat er hier de afgelopen jaren
gebeurd is.
|
|

|
|
|

|
Treurnis
in Ambon-stad
|
|
De volgende dag ga ik doen waarvoor ik naar Ambon-stad
gekomen ben, het fotograferen van het VOC-fort “Nieuw
Victoria”. Ik loop de richting van het fort uit, maar kan het
niet echt vinden, slechts een oude muur die achter een nieuwe
muur staat. Ik loop om het gebied waar het fort zich bevindt,
het krioelt van de militairen. Eindelijk kom ik een lange oude muur tegen, waarop “
°ºRECHT” staat, ik denk
“Ha” en klik. Meteen komt een militair op me af en verzoekt me met fotograferen te
stoppen. Ik vraag “Kenapa” antwoord “Instruksi dari
Jakarta”, het fort is in gebruik bij de TNI dus daarom is het
verboden om te fotograferen.
Dit is niet de eerste keer dat mij zoiets overkomt, ik
kan me forten in Ngawi en Palembang herinneren, waar korporaals
de generaal uit gingen hangen en mij als vijandelijke spion
beschouwden, in ieder geval zo behandelden. Ik weet dat ik het
beste mijn Amsterdamse mond met de bijbehorende logica gesloten
moet houden. Het is eigenlijk meelijwekkend dat het Indonesische
leger gebruik maakt van gebouwen die al eeuwen oud zijn, die als
toeristische trekpleister nog wat geld in het laatje zouden
kunnen brengen. Over de arrogante houding zwijg ik hier, die ben
ik inmiddels gewend. Ik loop door kampongsteegjes, gelegen langs
de buitenmuren van het fort, schiet af en toe een plaatje. Plots
sta ik voor de schitterende toegangspoort, waar ook een hele
groep militairen staat. Ik vraag vriendelijk of fotograferen is
toegestaan, dat blijkt geen enkel bezwaar, doch naar binnen gaan
is ten strengste verboden. Op afstand zie ik binnen
pantserauto’s en meer van dat soort apparatuur geparkeerd
staan. Nadat ik genoeg foto’s heb gemaakt, maak ik dat ik
wegkom.
Op het kantoor van Merpati koop ik een ticket naar
Namlea, de hoofdstad van het eiland Buru ad 110.500 Rp. Het
vliegtuigje vliegt maar 1x per week, dus moet ik terug met de
boot, 2-3 dagen voor de waarschijnlijke aanwezigheid van 1 fort
is voor mij genoeg. Andere
Merpati-vluchten vanaf Ambon: 1x per week op Banda, waar ik ook
graag heen wil, doch dat is een trip op zich, dus een andere
keer. Verder naar Ternate 1x p.w. Saumlaki 4x p.w. Langur 2x
p.w. en Kisar 1x p.w. Hierna heb ik Ambon-stad wel zo een beetje
gehad, en ga terug naar mijn hotel voor tidur siang, een beetje
lezen en schrijven.
’s Avonds heb ik een ontmoeting met een
onderwijzer, die mij over het voorbije conflict, dat tot een
burgeroorlog leidde, verteld. Hoewel er nu vrede is, heerst er
momenteel angst voor komende 25 april, de herdenking van de
oprichting van de RMS. Het aantal aanhangers van de RMS op Ambon
en omstreken is miniem, de RMS leeft meer onder de Molukkers in
Nederland, één van de zaken waarover de Ambonezen zich graag
bij de NL-regering druk maken, demonstreren en oneigenlijke
eisen stellen. Elk jaar zijn er RMS-aanhangers die hun vlag op
Ambon hijsen, een gebeuren waar de Indonesische regering hels
van wordt. Het leger is die dag zeker in volle paraatheid
“Siaga nomor Satu”, de bevolking verschuilt zich angstig in
hun huisjes. Verleden jaar werden er vlaggen opgelaten aan
ballonnen, het TNI met volle bewapening ging er achter aan.
Lachwekkend, om als professioneel leger op een lap stof te
jagen, en deze uit de lucht proberen te schieten. Hij vertelde
ook over het grote aantal moslimslachtoffers dat de burgeroorlog
had gemaakt. Dat kwam niet omdat de moslims slechtere strijders
zijn, doch zij voerden hun Jihad gekleed in witte jurken,
daarbij “Allah Akhbar” roepend. ’s Avonds is zo een witte
jurk natuurlijk een schitterend doelwit.
De volgende dag neem ik een taxi van Ambon-stad naar
Tulehu, de plek waar boten naar andere eilanden afvaren, deze
chauffeur verteld mij ook uitgebreid over de oorlog. Bij de
steiger aangekomen wachten er al speedboten, die voor de tocht
naar Saparua gecharterd kunnen worden voor 300.000 Rp, of men
moet wachten tot er 16 passagiers zijn. Ik kies voor het laatste
en ga iets eten, vis natuurlijk. Na een half uur kom ik terug en
zijn er vier man. Echter na een kwartier komt er een angkot vol
mensen aan, ze moeten naar Saparua voor een begrafenis, ze
hebben kransen en kruisen met bloemen van kunstzijde mee, die
zullen de dode lang overleven. We stappen in, 20 passagiers aan
boord, waarvan 3 kinderen, er zijn geen reddingsvesten etc., dat
is heel gebruikelijk in Indonesia, een mensenleven is hier niets
waard. De speedboot wordt voortgedreven door 3 x Yamaha 40 pk,
in 1,5 uur varen we voor 35.000 Rp p.pers.naar Haria nabij
Saparua. Onderweg mooie helderblauwe zee, spierwitte stranden,
koraalformaties en groene eilanden. Vanaf Haria is het nog 15
minuten naar Saparua met een gecharterde angkot 30.000 Rp.
Kinderen dragen koffers voor 5000 Rp, ze vragen 10.000. Kamer
met AC in een penginapan voor 60.000 Rp. Ik besluit tot een
wandeling naar het fort Duurstede, op slechts 5 minuten afstand.
Het fort is op slot, ik loop om het fort heen. Ik heb geen zin
om de juru kunci te zoeken, het is op het heetst van de dag, die
man legt vast te slapen. Naderhand wandel ik op verkenningstocht
door Saparua en vind zelfs een plek waar ge-internet kan worden.
Fort Duurstede te Saparua was in 1817 het decor van een
heuse opstand tegen het Nederlandse gezag. Deze opstand werd geleid door Thomas Matulessy en zijn leger van
1000 Alfurese koppensnellers. Zij overvielen fort Duurstede en
doodden daar de gehele bezetting inclusief de resident en zijn
vrouw. Alleen het zoontje van de resident werd gespaard. De
Molukken waren reeds lang Brits bezit geworden voordat de
Engelsen Java en Onderhorigheden in 1811 van de Nederlanders
overnamen. De Molukkers voelden zich vrijer onder het Britse
gezag dan onder de Nederlanders. Ook betaalden de Engelsen met
zilveren Rupees uit India, waar men van de Nederlanders
waardeloos papiergeld kreeg. Toen de Nederlanders in 1816
weer terug kwamen, nam ook de repressie toe, wat de aanleiding
voor Thomas Matuslesy was om in opstand te komen. Hij had onder
de Britten als sergeant in hun leger gediend. De Nederlanders hadden grote
moeite om deze opstand te bedwingen. Omdat Matulessy iedere
Nederlander die hij in zijn handen kreeg had gedood, maar het
zoontje van de Resident had gespaard kreeg hij de bijnaam
“Pattimura” wat goedhartig betekend. De opstand werd met
grote overmacht door de Nederlanders onderdrukt. En in december
1817 werd Pattimura in Ambon-stad geëxecuteerd. Zijn laatste
woorden tegen de Nederlanders waren: “Selemat tinggal
tuan-tuan”. Op de plek van zijn executie bevindt zich het
lelijkste standbeeld dat ooit in Indonesia is vervaardigd.
Pattimura is een van de bekendste Indonesische nationale helden,
zijn konterfeitsel siert het biljet van 1000 Rupiah.
|
|

|
Het
standbeeld van Pattimura
|
|
|
|
Is Ambon wel zo leuk en mooi
?….
|
Mijn plan is om op het eiland Nusa Laut fort
‘Beverwijk’ te fotograferen en op het eiland Haruku de
forten ‘Nieuw Hoorn’ en ‘Nieuw Zeeland’, alle drie VOC
overblijfselen. Toen ik in alle vroegte op de steiger in Haria
aankwam, bleek de ‘speed umum’ naar Haruku pas om 10 - 11
uur te
vertrekken, dus veranderde ik mijn plan en trok richting Ouw,
waar er nog een benteng Portugis moest zijn, dit is vlakbij Nusa
Laut. Onderweg kwam ik langs een totaal afgebrande
christenkampong, die door moslims met mortieren in brand scheen
te zijn geschoten, met behulp van het leger, dat voor een groot
gedeelte uit moslims bestaat dus in het conflict partijdig was.
Verderop een moslimkampung, waar de vele mensen die daar
verbleven mij nogal angstig leken, een minderheid in vnl.
Christelijk gebied. De benteng Portugis was snel gevonden, maar
ik betwijfelde of het bouwwerk Portugees was, of zelfs maar een
fort, het leek me tamelijk recent, hoogstens 150 - 200 jaar oud,
gezien de kozijnen die in de muren gezeten hadden. Niemand kon
me echter bijzonderheden vertellen. Nadat
ik foto’s had gemaakt ging ik op zoek naar een boot, de
schippers verlangden echter gouden prijzen, een christen 250,
een moslim 300.000 Rp voor een tocht naar een eiland dat vanaf
de kust duidelijk zichtbaar is, dat was mij te gortig. Omdat het
inmiddels al over 9 uur was besloot ik naar de steiger voor de
boot naar Haruku terug te keren. Passagiers waren er echter
niet. Het charteren van een speedboot om heen en weer naar de
twee forten op Haruku te varen zou 450.000 Rp gaan kosten en
geen Rupiah minder, men noemt een prijs en loopt weg, dat is de
plaatselijke manier van zaken doen. Ik besloot mijn geluk elders
te proberen. Op een andere steiger lag er een mooi klein bootje
met 2 buitenboordmotoren. Ik schoot de kapitein aan en vroeg
hoeveel het zou kosten om naar èn Nusa Laut èn naar Haruku te
varen. “En daarna naar Ambon?” vroeg de kapitein. Dat leek
me een uitstekend idee, waarschijnlijk wilde hij zelf naar
Ambon. Ik kreeg een prijs van 1 juta te horen. Toen ik 500.000
Rp bood zakte hij naar 800.000 Rp en liep weg, begon met anderen
te praten, alsof ik niet bestond. Een vreemde manier van zaken
doen, die mij echter bekend voorkwam, zo doen Papoea’s ook
“zaken” een hoge prijs noemen waar niet over te
onderhandelen valt. Hij schreeuwde nog iets over 100 liter
benzine die hij nodig zou hebben, wat mij als een sterk verhaal
voorkwam. Ik ben niet technisch aangelegd, maar de totale
afstand die ik wilde afleggen zou misschien 90 kilometer
bedragen, stel dat het er 100 waren, dan zouden die 2 motoren
slechts 1 kilometer afleggen met 1 liter benzine, dat is zeer
dorstig te noemen. Ik probeerde nog 600.000 Rp maar dat was niet
bespreekbaar. In mijn hoofd gaf ik het project voor vandaag maar
op, want ik wil die foto’s niet maken ten kostte wat het ging
kosten, temeer daar het slechts om 3 ruines ging. Waarom bouwde
de VOC toch die forten toch op die afgelegen plekken, die alleen
varend te bereiken waren? Ik ging maar terug naar Saparua om de
binnenkant van Fort Duurstede fotograferen en om 12 uur was ik
vrij.
|
|
 |
|
Monumen :
Daftar anggota Bataljon 200ITT II jang gugur dalam actie MALUKU SELATAN
Saparua 17 Mei 1951
|
|
’s Avonds wandel ik door
Saparua, dat eigenlijk maar uit 2 evenwijdig lopende straten,
met wat zijweggetjes bestaat, vredig, mooi en saai. Ik kwam
langs de immense Gereja Protestan Maluku, met gelovigen binnen
en buiten, waarschijnlijk de grote favoriet hiero. Men was allen
in stemmig zwart gekleed, het leek wel de Veluwe anno 1950.
Makkelijk herkenbaar, net als de meeste moslims door heel
Indonesia. De volgende ochtend, de dag des Heren, was ik al om 7
uur buiten, Saparua leek uitgestorven, zondag is hier rustdag.
Ik ging zitten wachten op een ojeg, die kwam en ik liet me weer
naar de steiger te Haria vervoeren om nog een poging te wagen
een boot te charteren. Er lag een boot aan de steiger, en weer
te duur. Ik nam dezelfde ojeg terug en vroeg de tukan 100-uit.
Hij vertelde me dat in Saparua er iemand was met een boot, maar
zonder ‘djonson’, zoals de Yamaha buitenboordmotoren hier
worden genoemd, maar met een mesin biasa. “Erachter aan!”
zei ik op het toontje dat Indonesiërs die zich ondergeschikt
achten zo goed begrijpen. We gingen naar een huis iets verder
dan de penginapan waar ik verbleef, gelegen was. Ik werd zeer
vriendelijk ontvangen, maar moest even wachten. Als je in
Indonesia iemand nodig hebt dan istie er nooit, lagi keluar,
sebentar mister, tunggu tuan en wachtte ik. Keek naar alle
honden, waar Christenen in Indonesia wonen ziet men ook
overdadig veel honden, daaraan herken je het geloof. Mensen
kwamen in hun Zondagse kleding voorbij, de dames met een tas vol
permen en iedereen met een zwarte bijbel in de hand, op weg naar
geestelijk voedsel. De dominee sprak vanaf de kansel: 'Saudara U
moogt elkanders gebedshuis niet in de brand steken'.
|
|
 |
|
Huis
op Saparua
|
Er ontstond wat actie voor het huis en het eind van
het liedje was dat ik een boot had gecharterd naar Nusa Laut,
voor 250.000 Rp. Een uitgeholde boomstam als catamaran, een
heerlijk pruttelende motor en drie bemanningsleden, de
machiniststuurman, de kapiteinkassier en een forse
scheepsjongen, pikzwart, voor de uitkijk en het hozen. die een
vaartochtje waarschijnlijk aantrekkelijker voorkwam dan een
lange zit in een kerk. Het was niet te heet, de zon werd
gefilterd door sluierbewolking. Heerlijk zo een
inlanderkanootje, net breed genoeg om te zitten, aan alle kanten
schitterend blauw pislauw water onder handbereik, een motor die
wel geluid, maar geen herrie maakt. Gezien de omvang van de boot
moesten we de kustlijn volgen, ik zag de weg die ik de vorige
dag per ojeg had afgelegd. Voorbij Ouw begon het land woest te
worden, rotsen aan de kust en jungle afgewisseld met klappers
daarboven, af en toe een schitterend strandje aan azuurblauwe
zee. Voorbij de laatste kaap van Saparua, met een mooi uitzicht
op Ceram, begonnen we de oversteek naar Nusa Laut, dat zo
dichtbij ligt dat je gebouwtjes kan onderscheiden. Eenmaal uit
de luwte van de kust werden de golven wel wat hoog en ging het
prauwtje hevig tekeer, er was veel communicatie tussen de
bemanning, waar ik niets van verstond. Ik voelde me wel lekker
in deze kermisattractie. Ik heb geen verstand van zee en varen,
de golven leken me hoog, maar mijn lot had ik niet in eigen
handen. Dat is nou het fijne van varen en vliegen, omdat ik daar
niets vanaf weet kan ik daar echt van genieten, bij landvervoer
ga je altijd mee zitten rijden en acht je jezelf vaak een betere
chauffeur dan degene die achter het stuur zit. Op een gegeven
moment doemde er een vierkant blok op, “Lihat Mister,
benteng’ en daar was benteng Beverwijk, een grijs blok op de
rotsen.
|
|
 |
|
Rotsen en zee
op weg naar Nusa laut
|
| We meerden aan in een impressionistisch blauw gekleurd
baaitje van de plaats Sila, ik stapte uit en volgde het pad dat
de heuvel opliep. Het pad ging over in een cementen straatje,
afgezet met witgekalkt hekwerk. De paden rond de huizen waren
bestrooid met wit koraal. ik kwam aan op een pleintje waar een
schitterende oude kerk stond. ‘Ebenhaezer 1728’ las ik, dit
was dus een VOC overblijfsel en maakte wat foto’s. De
kerkdeuren stonden uitnodigend open en ging ik naar binnen om
een kijkje te nemen, zag een mooie preekstoel en een
ouderlingenbank. Ik maakte een foto van de preekstoel en draaide
mezelf om de ouderlingenbank aan een nader onderzoek te
onderwerpen. Opeens stonden er veel mensen om me heen, een vrouw
in het zwart bitste mij toe “Wat doet U hier” “Deze mooie
kerk bekijken”, antwoordde ik. “Nee U kijkt niet, U maakt
foto’s en daar heeft U geen vergunning voor”. “Sorry hoor,
maar ik zag niemand om toestemming te vragen”. Ik werd op een
hoogst onvriendelijke wijze aan een ondervraging onderworpen
door de Domina. Achter haar stond een groep verzuurde gelovigen
bij elk woord dat zij sprak “Ja” te knikken, en het hoofd te
schudden als ik iets zei. Het leek wel of ik iets heel ergs had
gedaan, misschien wel een doodszonde schoot er door mij heen. En
ze bleef maar hameren over de izin die ik niet had. Ik zei haar
dat als ik Gods huis wenste te fotograferen Onze-Lieve-Heer dat
vast wel OK zou vinden, hij was toch de grootste mensenvriend.
Ik voelde dat ik op moest passen, dat lelijke wijf in die zwarte
toga met haar lipstick in de verkeerde kleur, begon me heel erg
tegen te staan. Ik verklaarde dat die hele kerk me niets kon
schelen dat ik eigenlijk meer geïnteresseerd was in duivelse
forten en vervolgde mijn weg. Het fort zag er uit als een klein
kasteeltje, ik maakte mijn plaatjes en ging weer terug. Ik
hoopte dat de groep verzuurde artikel 31 aanhangers nog in de
kerk zou zitten dan zou ik buiten even een knallende sessie
doen. Maar ze waren al vertrokken. Ik liep naar de baai en zag
aan het strand nog enige zeer oude grafzerken. Ik dacht aan een
Nederlandse begraafplaats, maar het waren graven van de raja van
Sila, zwaar verwaarloosd. Daarna stapte ik in de prahu en we
gingen weer op weg. We voeren net de baai uit toen de kapitein
wees, een grote school dolfijnen, die uit het water opsprongen.
Dit had ik nog nooit eerder van mijn leven gezien, schitterend,
een godsgeschenk, kwam mij voor. Deze Dag des Heeren kon niet meer stuk.
|
|
|
|
Di Maluku tiada hari tanpa pisang
goreng….
|
|
In de Molukken kan je niet om de gebakken banaan heen,
overal worden die dingen verkocht of bij de thee en koffie
aangeboden, en meestal lekker tot zeer lekker. De pisang in de
Molukken nodigt uit om gegorengd en daarna warm opgegeten te
worden Ik heb in NL wel eens op aanraden van een vriendin warme
pisang goreng met vanilleijs en slagroom gegeten, nou dat is
bijna niet te omschrijven zo goed.
In alle vroegte stond ik op, zonder de Grote wekker
van Allah, maar door het gekraai van een hervormde haan. Bagage
pakken, koffie drinken, als ontbijt waren er broodjes
chocoladehagelslag, nou niet direct mijn favoriet, ik at er toch
eentje, want op het soort tochten die ik maak weet je nooit
wanneer je kunt eten. Gisteren ontbeet ik pas op 1400 uur, omdat
de donuts, ook met chocoladeslag, in de vroege morgen mij niet
aanstonden, terwijl ik als kleine jongen nooit praatjes mocht
hebben over hetgeen op tafel kwam. Al het eten dat werd
geserveerd was goed, dus lekker, want Vader had er hard voor
gewerkt en met zijn zuur verdiende centjes werd al dat eten
gekocht. Later als ik eenmaal groot, d.w.z. 21 jaar, zou wezen
kon ik het zelf uitzoeken, wat ik dus ook deed. Pisang goreng
komt helaas pas ’s middags bij de thee. Ik nam een beca om mij
naar de terminal angkot te laten vervoeren, er stond er al
eentje klaar. Hoewel de angkot leeg was, op mij na, vertrok deze
onmiddellijk en na een rondje lege stad naar de steiger. Geen
boot te vinden, op naar de volgende steiger, van verre zei de
sopir al dat er geen boot was, ik kon beter naar het noorden
gaan de reguliere passagiersboot nemen, dat zou met zijn angkot
slechts 100.000 Rp kosten, proberen is niet verboden, dacht ik.
“Ga maar naar de steiger”, zei ik. De angkot stopte daar,
onmiddellijk verdrongen zich een paar speedbootschippers, ik
noemde mijn wensen, Pelauw op Haruku daarna Tulehu op Ambon,
stengah juta klonk het, ik vroeg om korting en de prijs werd
afgemaakt op 450. Mijn koffer werd naar een boot met drie
Yamaha’s 40 PK achterop, gedragen voor 10.000 Rp waar ik er
maar 5 van betaalde. Omdat het laag water was droeg de schipper
als kuda mij naar de boot. Hij kraakte en steunde, want ondanks
dat ik een klein mannetje ben weeg ik 80 kilo, veel spieren en
hier en daar een vetkwab. En voor ik er goed erg in had waren we
knetterend op weg naar Haruku.
|
|
 |
|
3x 40 PK
Yamaha, wat een geluid !!
|
Het was nog vrij vroeg in de ochtend, we snelden door
de zeestraat tussen Saparua en Haruku, langs mooie uitgestorven
stranden en hoge golven, waar de speedboot over heen klapperde,
daarna de zee tussen Haruku en Ceram die behoorlijk ruig is, dat
zal wel aan het seizoen en de wind leggen. We waren snel op de
plaats waar de forten zouden moeten staan. Bij het uitstappen
deed ik mijn schoenen en sokken uit en stroopte mijn broek tot
de knie omhoog, want de schipper keek bedenkelijk. Waar ik aan
land ging, moslimgebied, bevond zich een groot
vluchtelingenkamp, bestaande uit armzalige triplex huisjes. Deze
huizen die in het overheidsschetsboek al aan magere minimumeisen
voldoen, worden nog slechter gemaakt dan aanvankelijk bedoeld
is, een groot deel van de fondsen hiervoor verdwijnt in de
zakken van ambtenaren. Ik organiseerde een ojeg, en hoorde dat
er hier maar een fort was het andere stond in de plaats Haruku.
Het fort “Nieuw Hoorn” was snel gevonden en bevond zich in
een bedenkelijke staat van ontbinding. Dorpsbewoners liepen uit
om mijn witte kop een paar priemend onderzoekende blikken toe te
werpen. Na wat foto’s gemaakt te hebben en verhalen van de
omwoners te hebben aangehoord ging ik weer terug naar de boot.
Het stond natuurlijk vast dat, nu ook de plaats Haruku aangedaan
moest worden, ik bij zou moeten storten. Ik kon gelukkig ook de
schipper een beetje de schuld geven en malu maken omdat hij niet
precies had geluisterd toen ik hem mijn bestemmingen vertelde,
ik ben tenslotte een vreemdeling. Het werd 100.000 Rp erbij en
we gingen op weg naar Haruku. Ook daar weer een landing aan het
strand, waar veel varkens liepen te snuffelen zoals alleen deze
beesten dat kunnen, geen moslims hier. Ik liep langs de
zoveelste afgebrande kerk en stond al snel voor fort Nieuw
Zeelandia, waar niet veel meer van over was dan een muur met
daarin een poort, de rest lag als golfbreker in zee. Mijn werk
was snel geklaard. Na wat ge-OH’t de hebben met de
plaatselijke bevolking, ging ik op weg naar Tulehu.
|
|
 |
|
Haruku
:
aan het strand staat, over zee uitkijkend, dit standbeeld van
Mr. J. Latuharhary, Gubernur Maluku 1945 - 1955
|
|
Het eerste wat ik in Tulehu ging doen was brunchen,
uiteraard was er weer een kofferdrager. Toen hij aan het eind
van de steiger gekomen was liet ik hem zien waarom ik hem
eigenlijk niet nodig had, ik vroeg of hij de koffer, die volgens
de weegschaal van Lion Air 14,8 kg weegt, over de stenen muur
die de steiger afsloot kon tillen, schoof daarna het handvat
eruit en trok mijn Samsonite op z’n wieltjes voort, er werd
schaapachtig gelachen. Ik gaf hem evengoed 5000. Tijdens het
eten staarden enige Inlanders naar het voederen van het witte
dier, en kletsten over voetbal, allemaal Oranjefans. Tussen de
namen Pan Nistelroy, yang hitam pakai kaca mata, Marko pan
Basten en Prank Richkard viel ook het woord taksi diverse keren,
waar ik maar OK op antwoordde. Een sopir nam voor me plaats en
vroeg waar ik naar toe wilde: “Hila” antwoordde ik. Dat was
uiteraard “jauh” dus 250.000 Rp. Ik hield m’n mond en ging
door met eten. Na aandringen zei ik 150. Dat kon niet, of ik
misschien voor 200 wilde. “Tidak bisa” zei ik kortaf. De
sopir liep weg en ik ging rustig door met eten. Toen ik bijna
klaar was hoorde ik OK, OK, mijn koffer werd rijdend ingeladen.
Ik nam nog een es-teh-manis en ging weer op weg. Bij het open
autoraampje hadden er ineens veel trek gekregen in gratis rokok,
een bungkus, maar ik deed net of ik Oost-Indisch doof was. Je
kan wel aan de gang blijven met kasian, maar mijn medelijden was
op voor vandaag.
Een groot stuk van de weg naar Hila had ik al gezien
toen ik van de airport kwam. Op een gegeven moment sloegen we af
en reden een heuvelachtig landschap door. Ik vond het uitzicht
maar saai, dat vind ik trouwens van al het landschap hier,
uitgezonderd de uitzichten waarin de zee verschijnt, die zijn
vaak spectaculair, dat komt vooral door de schitterende kleur
van het zeewater. De noordkust van het eiland Hitu is
moslimgebied, het ziet er een beetje kaal en arm uit. De zee is
nogal ruig en op diverse plekken waren huizen het slachtoffer
geworden. Toen we in Hila aankwamen zag ik de schitterende oude
moskee, wat zeer oude huizen en achter het geboomte fort
“Amsterdam”. We gingen voorbij Hila, want volgens de
informatie die ik ontvangen had, lag daar aan het strand een
hotel met bungalowtjes. We reden een paar keer heen en weer,
maar zagen alleen maar verlaten en afgebrande gebouwen. We
informeerden bij een zagerij, vast illegaal hout uit Ceram dat
aan de overkant van de zeestraat ligt. Het Manuala Beach hotel
en de andere hotels die hier stonden waren afgebrand, toeristen
kwamen er niet meer, dus werd er ook niets meer opnieuw
begonnen. Er was geen enkele andere accommodatie in Hila. Daarom
gingen we weer terug. In het haventje van Hila ging ik nog even
bij de politiepost vragen, maar ook daar werd verteld dat er in
de wijde omgeving geen penginapan te vinden was. Er zat mij niets anders
op dan onverrichter zake om te keren en later terug te komen
om foto’s te maken. Ik wilde niet naar Ambon-stad, want dat
vond ik te deprimerend, dus koos ik voor het strand van Natsepa,
dat aan de hoofdweg door Ambon ligt 18 km van Ambon-stad en 8 km
van Tulehu, van waar ik die ochtend vertrokken was. Ik had enige
dagen geleden info gehad van iemand die het Manuala hotel
aanraadde, dat terwijl het al in 1999 gesloten was. Eens en te
meer bleek mij dat je nooit op informatie van Indonesiërs af
moet gaan, want dat klopt zelden. Op een trip als deze ben je
helemaal op jezelf aangewezen, ik heb dan wel wat huiswerk
gedaan, echter in de situatie waarin Ambon momenteel verkeerd is
alle informatie moeilijk en niet te vertrouwen.
Op aanraden van de sopir checkte ik in bij ‘Suli
Indah’, een hotel met erg veel kamers, maar bijna leeg. De
kamers zijn enigszins Spartaans, maar daar houd ik wel van. Het
bed was goed, er was AC, een badkamer zonder spiegel, dus hoefde
ik m’n eigen ouwe kop een paar dagen niet te zien, harde,
rechte stoelen, 90.000 Rp. Het hotel wordt vnl. gebruikt voor
het short-time ‘geven van gelegenheid’, maar daar heb ik
verder geen last van. In de koelkast in de lobby staan gekoelde
bintangs voor 20.000 Rp. Ik rekende af met de sopir, gaf hem
200.000 Rp, waar hij zeer tevreden mee leek, ik had geen zin in
een discussie over hoeveel geld de rit terug zou hebben moeten
kosten. Hij bood zijn diensten aan als ik weer naar Hila wilde.
Ik sprak met hem af voor over twee dagen. Ik zou de volgende dag
rustig aan gaan doen.
|
|
|
|
Karl Marx: Godsdienst is opium voor
het volk….
|
|
Hoe men het ook wendt of keert, in gesprekken met
mensen te Ambon komt men op een gegeven moment terecht bij
religie. Als men de ogen de kost geeft is dat een voortdurende
confrontatie met de gevolgen van de burgeroorlog die op de
Molukken, met name op Ambon en omstreken, heeft gewoed.
Afgebrande kerken en moskeen, platgebrande kampungs en
vluchtelingenkampen, geen prettig gezicht voor een toerist, die
voor zijn lol reist, zijn dagelijkse beslommeringen ontvlucht en
zeker niet oog in oog wil staan met de schrijnende ellende van
mensen, die zich in zoiets primitiefs als een godsdienstoorlog
hebben gestort. Als men de vele treurige puinhopen aanschouwd en
daarbij de verhalen voegt die men hoort, dan is de indruk: dit
is heel erg geweest. Je voelt als de mensen met je spreken dat
ze maar 1 ding willen: vrede en vergeten, maar de wonden zijn
zeer diep. Familiebanden, die zo belangrijk zijn in dit deel van
de wereld zijn verscheurd. Grote groepen mensen zijn gevlucht en
wonen nu in triplex noodhuizen bij geloofsgenoten. Ze hebben
moeite om te aarden, want de kampung waar men is geboren is
alles voor de Indonesiër. Ik vraag me dan af, als domme
Nederlander die het altijd beter meent te weten, is het wel goed
dat de geloven nu gescheiden leven, nadat ze 100’en jaren in
vrede en in de beste samenwerking bijeen hebben geleefd. Ach
waarom zou ik me zoveel vragen stellen, ik ben hier op een
persoonlijke missie, ze mogen blij zijn dat er iemand uit het
westen nog een kijkje in deze troep komt nemen. Ik verblijf hier
nu ruim een week, heb toeristenbestemmingen bezocht, maar heb
nog niet een westerling ontmoet, alles is voor mezelf hier. Het
eten op Ambon valt me erg tegen, zeker als ik vergelijk hoe
lekker ik een maand geleden op de Noord-Molukken heb gegeten. Ik
zit op eilanden vlak bij zee, dan wil ik vis eten
Maar wat er aan vis te verkrijgen is is naar mijn smaak
niet zo bijzonder. De prijzen zijn zeer redelijk 8000 – 12.000
Rp voor een maaltijd. Echt goed gegeten heb ik maar een keer bij
een RM Padang in Ambon-stad.
|
|
 |
|
Suli : moskee
|
|
Vandaag had ik dus vrij, ging met
tegenzin naar Ambon-stad om eens behoorlijk te eten en wat te
internetten. In Ambon-stad moet ik even denken aan Tante L. op
haar vriendelijke verzoek. Als man begrijp ik niet waar dat goed
voor is, maar je doet zoiets toch. Ze heeft daar als meisje
gewoond, en bewaard heel goede herinneringen. Dus denk je daar
even aan, als zo een mens daar nou gelukkig mee is, makkelijk
zat, maar denkt er meteen ook bij, die wijven altijd met hun
onzin. Internet in Ambon-stad is vrij waardeloos, Ik ken ook
maar een warnet, met een slechte provider, langzaam of zelfs
niet te gebruiken. Je kan een halfuur zitten proberen een site
te openen of e-mail down te loaden, zonder resultaat, dat
terwijl de warnet vol zit. Je vraagt je af wat die anderen
achter die computers doen. Als je hier over klaagt worden de
schouders opgehaald, en wordt je geacht gewoon te betalen. Een
norm voor kwaliteit bestaat er niet in dit land, als het er maar
op lijkt dan is men al tevreden, ook zal men geen pogingen wagen
om iets van een te lage kwaliteit te verbeteren, om het leven op
een hoger plan te brengen. Daarom zal het moeilijk zijn om ooit
iets van dit land terecht te brengen, omdat men geen ideeën,
laat staan eisen heeft waaraan het leven aan zal moeten voldoen.
Openlijke kritiek behoort
niet tot de cultuur, een kritisch geluid wordt vaak beschouwd
als een belediging.
Om even over 6 uur schrok ik wakker, er werd aan de
deur geklopt, een stem riep: “Mas, mas’. Ik ging kijken en
was het de sopir die ik voor 7 uur had besteld. “Mandi dulu”
zei hij, dat terwijl ik er een grote hekel aan heb om radicaal
met een straal water wakker gemaakt te worden, ik verkies het
trage openen van mijn ogen onder het genot van koffie. Ik ging
toch maar onder de douche staan om wakker te worden. Daarna
pakte ik hetgeen ik nodig had bijeen en we gingen op weg. In
Paso, 6 km verderop dronken we koffie en daarna op pad naar
Hila. Deze weg had ik al twee dagen geleden afgelegd. Dit keer
zou ik verder tot Negeri Lima gaan, want daar scheen een fort te
zijn. Vlak voorbij Hila, bij Kaitehu, werd er een immense brug
over een rivier gebouwd, doch nog lang niet af. Aan de kleur van
het beton te zien stond dit half afgebouwde project al enige
jaren in stilstand, weer een berg weggegooid geld. De betonnen
brug zag er ook erg groot uit gezien de omvang van de omgeving.
Hierna werd de weg erg mooi, aan een kant af en toe de zee en
het eiland Ceram. Aan de andere kant cengkeh, durian, kenari,
pala, langsat en sagopalmen. De sagopalm is een fantastische
boom, afgezet met doornen, deze boom zorgt voor het hoofdvoedsel
van de Molukkers, terwijl de stengels als bouwmateriaal gebruikt
worden en de bladen als dakbedekking. Dit schitterende
landschap, voor het eerst dat ik zoiets zag op Ambon e.o. ging
door tot Negeri Lima. Aldaar aangekomen, moesten we nog
enigszins zoeken naar het fort, we reden er bijna voorbij, zo
klein was het, het stond tussen de huizen en verscholen achter
begroeiing. Ik maakte een foto en stond door de schietgaten te
gluren, toen er een man in zn singletje aankwam. Ik hoorde
“Harus lapor dulu, harus lapor dulu” wat hadden de mensen
hier toch, je bekijkt iets wat je interesse heeft, maakt
foto’s, een heel normale toeristische bezigheid en ze geraken
in de stress. De man stond op mij te mopperen en mij uit te
leggen dat hij de juru kunci was en dat ik me eerst moest melden
voordat ik het fort ging bekijken. Dat moet je allemaal maar
weten als je van 14.000 km afstand komt, zonder bordjes en
aanwijzingen. Typisch Indonesische logica van iemand die graag
macht wil uitoefenen, laten zien dat hij iemand is. Hij zette me
op een stoel voor zijn huis neer en overhandigde mij het “buku
tamu” met het verzoek mijn naam in te vullen en hem niet te
vergeten. Toen ik mijn naam in wilde vullen zag ik dat de vorige
gast hier op 20 februari 1997 had getekend en 500 Rp had
gegeven. Ik vulde mijn gegevens in en gaf 20x zoveel, waarna ik
het fortje ging fotograferen, met de juru kunci achter me die
iets stond te mompelen over restauratie. Een steen boven aan het
fortje melde dat het hier om een blokhuis ging genaamd “Van
der Capellen”, gebouwd in 1817, dus geen VOC bouwwerk,
waarschijnlijk uit angst voor Pattimura opgericht. Doordat het binnen nogal vol stond en je buiten je kont niet
kon keren, was fotograferen moeilijk, ik heb geen groothoeklens
op mijn cameraatje. Inmiddels waren er enige vrouwen op het
strijdtoneel verschenen, die mij vertelden dat ik cadeautjes
moest geven, snoepjes, maar liever geld. De juru kunci zei
“dit is mijn moeder, die past op het fort”, alsof het gebouw
na bijna 200 jaar weg zou lopen. Om van het gezeur af te wezen
gaf ik 10.000, ik had genoeg foto’s en nam kortaf afscheid. We
gingen terug naar Hila.
In Hila staat fort “Nieuw Amsterdam”, een imposant
gebouw van 3 verdiepingen, dat nodig aan onderhoud toe is, zoals
heel Indonesia, om het gebouw 3 bastions. Hila was vroeger een
belangrijk handelscentrum. Het gebouw is in 1991 gerestaureerd,
maar zag er uit alsof het alweer hard aan restauratie toe was,
een groot gedeelte van de dakpannen was naar beneden gedonderd.
Ook hier een juru kunci. In het gebouw was het stikkedonker en
rook het duf en vochtig, je zag het hout, dat ongetwijfeld van
de restauratie uit 1991 dateerde voor je ogen wegrotten,
gegarandeerd van een zeer slechte kwaliteit geweest, om de winst
van de aannemer en de controlerende ambtenaren op te krikken.
Ook buiten groeide er gras en lagen er overal dode bladeren. Zo
een juru kunci doet er niets aan, behalve bij het zien van een
turis met een buku tamu aan komen rennen in de hoop wat geld te
krijgen. Ik zag bedragen van 20 – 50.000 Rp staan, helaas, ik
was door mijn kleine geld heen, had alleen nog maar briefjes van
100.000 Rp plus 9000 Rp in klein papier, ik overhandigde dat
bedrag aan de juru kunci, dat leverde mij een zeer zuur gezicht
op. Ik dacht krijg de koelere maar, doe er maar iets voor. Naast
het fort staat er nog een gebouwtje waarin foto’s uit vroeger
tijden schijnen te hangen, van voor de restauratie. Ik ben daar
niet binnen geweest. Bij het fort heeft nog een oude kerk
gestaan, de Immanuel kerk uit 1780, maar deze heeft de
godsdiensttwisten, U raadt het al, niet overleefd. In Hila staat
ook schitterende
“Tua Wapauwe” moskee uit 1414, een van de oudste in
Indonesia, met prachtig houtsnijwerk, zeer de moeite waard. Ik
maakte wat plaatjes en daarna gingen we eten bij het haventje
van Hila.
|
|
 |
|
Hila
: Detail “Tua Wapauwe” moskee uit 1414 |
|
|
|
| De
kop van Londoh vs nootmuskaatboom.... |
Van
Hila ging de reis verder naar Mamala, eerst over vlak land langs
de kust, na Mamala ligt er weer gebergte. Ik had
zeer summiere informatie over een fort : “Fort Kapalaha,
mostly in ruins, lies about 5 kilometers and 1,5 hours from
Mamala on a path heading slightly inland”. Bij Mamala wilden we de weg landinwaarts nemen, maar we
werden terug naar de kust verwezen. Voorbij Morela ging de
asfaltweg over in karang, en leek de weg ooit langs het gebergte
te zijn gebuldozerd. Af en toe bruggen van klapperstammen, of
gewoon met de auto door de rivier. Nergens was er een fort of
een aanwijzing te zien, vragen leverden handgebaren in
oostelijke richting op. We vernamen op een gegeven moment dat
het fort op een berg zou staan. Bij een moskeetje werden we naar
iemand verwezen die meer zou weten. De man was aan het vissen,
maar werd door zijn eega gehaald. Ik kreeg al wachtende even de
tijd om te zien hoe men buiten een kampung, vrij in het bos
woont, dat zag er heerlijk simpel uit. Stapels brandhout, sago,
klapper en andere bomen om het huisje, de zee voor de deur.
Vader was binnen een half uur ter plekke, hij had allerlei
vissen mee die hij net gevangen had, die volgens mij geen slecht
figuur in een aquarium zouden slaan. Hoe mooier de kleur hoe
lekkerder ze waren, volgens mevrouw.
|
|
 |
|
Uit het
zeewateraquarium
|
|
We gingen op weg, achter het huis door het bos liep een
pad, dat al gauw zeer steil omhoog ging. Al snel baadde ik in
mijn eigen zweet, het was net na 1300 uur, zo ongeveer het
heetste moment van de dag, ook merkte ik wat de gevolgen van de
zo goed smakende kreteks zijn, afijn de tanden op elkaar en
doorbijten. De wandeling ging door iets wat door veel mensen uit
de gematigde klimaatzone jungle genoemd wordt. In feite is het
gewoon bos, vol fruitbomen en dergelijke. In de jungle waagt een
gewoon mens zich niet, want die heeft daar niets te zoeken. In
het echte oerbos moet men zich een weg vooruit kappen, die zodra
men voorbij is onmiddellijk weer dichtgroeit. Plus al het
ongedierte zoals bloedzuigers en muggen, slangen en nog veel
meer dat kruipt, vliegt en vooral steekt en bijt. We waren een
paar honderd meter op weg toen ik ineens een luide klap hoorde
en alle sterren van de melkweg zag. Ik werd vanachter door de
sopir opgevangen, omdat ik het pad vol stenen goed in de gaten
hield had ik een zeer dikke stam van een nootmuskaatboom, die
was omgevallen niet gezien en had daar nogal hardhandig mijn kop
tegen gestoten, want dat was de hoogte waar hij ooit was blijven
hangen. Gevolg een wond op mijn voorhoofd die bloedde. Ik veegde
het bloed af en nadat de sterren verdwenen waren en ik was
bijgekomen zei ik: “Laten we verder gaan”. Na 500 meter was
er een grot waar we gingen rusten, ik had het niet meer en wist
niet hoe ik moest zitten, dat heeft wel 20 minuten geduurd.
Intussen zat de man die ons begeleidde verhalen te vertellen
over de toeristen die hier ooit geweest waren. Ook over een
zekere John, 60 jaar oud, die ook zo nodig naar boven moest, hij
deed dat bijna slingerend. Op de terugweg is hij ten val gekomen
en heeft dit niet overleefd, hij viel van de rotsen en stond
nooit meer op. Daar is nog een politiezaak van gemaakt, want men
vertrouwde niet dat dit een ongeluk was geweest. We gingen weer
verder, ik vroeg een paar keer is het nog ver, 300 meter, ik
wist eigenlijk niet meer waar ik was, ik duizelde en voelde me
alsof ik dronken was. Weer stoppen, ik ging op een boomstronk
zitten, om na te denken. Ik dacht aan John en dacht aan mezelf,
bijna 58 jaar oud, misschien wel te oud voor dit soort spontane
expedities, dit vraagt wat meer nadenken. Ik wist echter van
tevoren niet waar ik aan begon, gezien de summiere informatie
die ik had. Ik dacht een ruïne te gaan vinden. Het is tegen
mijn gewoonte hetgeen ik begonnen ben op te geven, doch ik
verlangde er nu hevig naar, ik had het gevoel dat er iets niet
geheel goed met me was. De begeleider echter vertelde zulke
interessante verhalen over het fort, dat echt iets heel
bijzonders scheen te zijn, geen stenen gebouw, maar een
natuurlijke plek in de rotsen, die door de VOC in 1638 op de
Molukkers was veroverd. Ik baalde van mijn beslissing en dacht
zal ik toch….maar nee, dit keer liet ik het verstand
prevaleren over de zogenaamde wilskracht. Er werd een stok voor
mij gesneden, en langzaam wankelde ik steunend op de stok naar
beneden, zoals zo vaak in dit soort bergland is dalen moeilijker
dan omhoog gaan. Ik voelde me belazerd, ik was dolblij dat we
weer bij het huis waren aangekomen. Daar werden wat lege
rijstzakken op de cementen vloer uitgespreid en ging ik liggen,
dat had ik hard nodig, ik kreeg zelfs een kussentje onder mijn
hoofd.
|
|
 |
|
Vijandige
pohon pala
|
|
Terwijl
ik daar zo voor Pampus lag, begon het ineens vreselijk hard te
regenen, en moest ik lachen, stel je voor dat we daar boven
hadden gezeten, dan had de berg afdalen een onmogelijke zaak
geweest op dat glibberige pad vol stenen. Ik dacht aan mijn
stadsgenoot JC die over dit soort situaties pleegt te zeggen:
“Elluk nadeel hep se voordeel”, Ik zie het liever als de
hand van God die mij met iets ergs voor nog erger behoedt.
Met air kelapa muda kwam ik weer terug in de wereld. Ik
besloot, als mijn toestand niet te erg zou zijn, weer hier terug
te keren, maar dan op een moment vroeg in de ochtend, als het
nog koel was. We gingen terug naar Suli, in de stromende regen.
Ondanks dat het vrij hard regende zag je nog mensen buiten en
kinderen in de regen spelen. Dat laatste komt mij als vrij
gewoon voor, want het water dat uit de hemel komt is warm water.
Hoe anders is dat op Java, bij een paar druppels, duiken die
Javaantjes allemaal weg en vallen al hun activiteiten stil. Na
twee dagen regen zijn er velen ziek. Altijd klagen over het
weer, nooit is het goed, of te heet of te koud, van elk weertype
wordt de Javaan ziek, een zwak volkje. En als ze niet over het
weer klagen zijn het wel de leefomstandigheden, daarbij zijn het
grote rippers, vaak op oneerlijke wijze. Ik vind de Molukkers
qua uiterlijk aantrekkelijker er uit zien dan de gemiddelde
Javaan. Zelfs als die Molukkers wat ouder zijn zien ze er nog
goed uit, waar de Javaan na zijn 30ste al uit elkaar
begint te vallen. Zeker die vrouwen op Java die altijd maar met
bedak aan het smeren zijn, wat ze een ongezond wit uiterlijk
geeft. Ook is de lach van de Molukker in het algemeen spontaner,
ik heb een hekel aan dat gemaakte gelach van de Javaan, daar zit
voor mij iets heel vals achter. Door zijn gedrag komt de
gemiddelde Javaan bij mij over als een toneelspeler, op de
Molukken zijn de mensen hun zelf, dat maakt ze in mijn ogen
aantrekkelijker, ze lijken me ook eerlijker, maar om eerlijker
te zijn dan een Javaan is niet zo moeilijk, hun cultuur dwingt
tot voortdurend liegen en opscheppen, hun leven is een
verzinsel,. Het bevreemd mij altijd dat ik het al jaren op dat
eiland Java uithoudt, terwijl er mij toch veel tegen staat daar.
Dat wordt erger als ik in de buitengewesten kom, want dan zie je
hoe Indonesia door Java overheerst wordt, de kolonie Nederlands
Indië overheerst door de Blanda’s is de kolonie Indonesia
beheerst door Java geworden.
Inmiddels
waren we terug bij het hotel, het regende nog steeds. Ik gaf de
sopir 325 en hij bleek zeer tevreden en maakten we een afspraak
voor zondag, als ik naar het vliegveld zou gaan, om naar Namlea
op Buru te vliegen. Ik ben meteen in ruste gegaan, doch van
slapen kwam er weinig, het duizelde me nog steeds. De volgende
dag heb ik nauwelijks iets gedaan, behalve veel aspirientjes
slikken.
|
|
|
|
Masohi op
Ceram....
|
|
Bij
het hotel informeerde ik hoe laat de snelle boot naar Masohi op
Ceram zou gaan, ik kreeg verschillende vertrektijden, variërende
van 0630 tot 0900 uur, door. Het bekende verhaal als je
informatie in Indonesia wilt hebben, de juiste gegevens zijn
nooit voorhanden, of men geeft
meerdere mogelijkheden, zodat de juiste er eventueel
tussen zit. Ik besloot geen risico te nemen en stond om 0530 op,
om 0600 uur in de ochtend stond ik aan de kant van de weg naar
Tulehu en hield een ojeg aan. Ondanks dat de
tukan ojeg had een dikke trui en jas aan had, bibberde
hij van de kou. Ik zat in een T-shirt achterop en genoot van de
frisse ochtend, vlak rond zonsopgang, zo een ochtend die een
lange dag met mooi weer beloofd. Om 0620 uur kwam ik bij het
vertrekpunt van de snelboot naar Masohi op Ceram aan, alles was
nog in diepe rust. Bij het loket stond 0900 uur vermeld, dus had
ik nog ruim 2,5 uur vol te maken. Zo gaat dat in Indonesia. Ik
liep terug naar het dorp, ging een rumah makan binnen en
bestelde koffie, kopi gula zoals dat hier heet. Hoewel het nog
vroeg was, was de stemming in het eethuis zeer gezellig, het
leek wel een Amsterdams koffiehuis vol bouwvakkers. Al snel zat
ik vreselijk te lachen met de mannen daar, er zaten veel tukan
ojeg tussen, want buiten kwam het water inmiddels met bakken uit
de lucht. Ik werd natuurlijk vele malen gevraagd wat ik op Ambon
deed, forten fotograferen luidde dan mijn antwoord. Er is hier
ook nog een ‘benteng’ werd mij verteld, een benteng Belanda.
Ik was verbaasd, ik had daar geen informatie over, maar het zou
best kunnen, gezien de ligging van Tulehu. Ik verzocht de twee
tukan ojeg mij maar meteen daar naartoe te brengen, daar ik nog
wel een uur de tijd had, het scheen niet ver te zijn. We stopten
bij een huis, gingen door de poort naar achter het huis en
klommen een heuvel op, hier is de benteng zeiden de mannen, ik
keek naar een betonnen blok van 2 x 2 meter en begon te lachen.
“Dit is een Japanse bunker”, zei ik. De Japanners hadden in
WO II een leger van 25.000 manschappen op Ambon, voor hun
verdediging tegen geallieerde luchtaanvallen hadden ze bunkers
van gewapend beton gebouwd. Er werd mij nog verteld dat er onder
de heuvel een groot gangenstelsel moest zijn met verschillende
in- en uitgangen. Dat kende ik van Manokwari te West Papua dat
ook een uitgebreid bunkerstelsel verbonden door gangen kent, er
schijnen daar onder de grond zelfs ruimtes te zijn waar een heel
vrachtwagenpark in past. Ik maakte een foto voor de lol, bunkers
hebben mijn belangstelling niet, want er is nauwelijks iets aan
te zien. Het woord benteng heeftt diverse betekenissen in het
bahasa Indonesia, niet alleen fort maar ook een sterke muur, of
bijv. benteng Islam, een bolwerk van de Islam. Inmiddels
was het tijd om naar de boot te gaan. Bij de steiger kocht ik
een kaartje voor de Cantika Inova, prijs 125.000 Rp , dit was
VIP klas, met AC natuurlijk.
Eindelijk
eens een tripje met een echt schip, met reddingsvlotten en in de
VIP klas zelfs reddingsvesten. De boot vertrok op tijd en was
niet vol. In de VIP ruimte oude vliegtuigstoelen uit een
bisnisclasse, een grote TV met karaoke muziek. Toen we op zee
waren vervangen door een Aziatische gehaktdagfilm met om de
minuut een bloederig lijk veroorzaakt door een gruwelijke moord
uit wraak. Daar het ijs- en ijskoud in de VIP ruimte was,
verhuisde ik naar Ekomie en ging in de zon op het achterdek
staan, even lekker doorwarmen. In zo een Indonesische VIP klasse
zitten alleen maar patserige figuren, die denken dat ze iets
zijn, voortdurend in hun HP’tje te kletsen. Toen ik op het
achterdek stond, kwam er en jongeman op me toe die ook in de VIP
klasse had gezeten, hij begon me te ondervragen, aan zijn kapsel
en de manier waarop hij vroeg zag ik dat hij, hoewel in burger,
van de politie was. Weer gezeur over een izin, een surat jalan
dit keer, die ik nodig zou hebben om naar Ceram te gaan. Ik
kapte het gesprek onmiddellijk af, door te vertellen dat ik
genoeg stempels van de imigrasi in mijn paspoort had, dat al
mijn gegevens al op Pattimura airport waren opgenomen, dat moest
ruim voldoende zijn. Een toerist had wel iets anders te doen dan
constant de politie bezig te houden met nog meer gegevens waar
verder niets mee wordt gedaan. Hij nam genoegen met dit
antwoord, gelukkig maar, want al mijn
papieren lagen nog in het hotel. Ik heb nogal een hekel
aan die overdreven dienstklopperij, doch weet dat zo een
politieagentje niet terug heeft van een kortaf gesproken
zakelijke toon, waaruit blijkt dat je goed bent geïnformeerd
over je rechten en plichten als orang asing in Indonesia.
|
|
 |
|
Interieur
Cantika Inova VIP kelas
|
Vanaf
de Selat Seram is te zien dat Ceram een ruig eiland is met
hoge bergen, sommige meer dan 3000 meter hoog. Het is half zo
groot als Nederland en 340 kilometer lang. Dit er even bij
vermeldt, omdat veel mensen er geen voorstelling van hebben hoe
groot Indonesia in werkelijkheid is. Ik heb het hier over zomaar
‘een eiland’, er wonen op Ceram slechts 200.000 mensen, dus
ook nog eens zeer dun bevolkt. Tijdens de tocht werd ik weer
verrast door een school dolfijnen, echter ze sprongen niet boven
het water uit, maar hun driehoekige vinnen die boven water
uitkwamen en manier van zwemmen waren duidelijk te herkennen. Na
1,5 uur kwamen we aan bij het haventje van Amahai. Voor de
terminal stonden taksi en ojeg, ik liet me verleiden tot een
taksi voor 50.000 Rp naar Masohi, de “hoofdstad” van Ceram.
Masohi was een 2x 3 baansweg, zeer ruim opgezet, met kleine
huisjes en warungs aan weerszijden, plus een winkelcentrum van
enkele etages hoog, en dan had je het wel gehad. De sopir en
zijn hulpje bekenden daar dat ze niets afwisten van het doel van
mijn reis naar Masohi, een fort dat zich daar zou bevinden. Hoe
ik ook probeerde ik kreeg geen gehoor. Ik rekende af en stapte
uit bij de “mal” en zocht een restaurantje om wat te gaan
eten. Daarna op zoek naar het fort, ik liep het politiebureau
binnen, maar mijn vraag wekte stomme verbazing, ik wist toen wel
genoeg, waarschijnlijk was mijn info foutief. Masohi is op een
dag tot administratief centrum van Ceram benoemd, zag er nieuw
uit, nergens een oud d.w.z. een vooroorlogs gebouw. Ook hier was
overal duidelijk de vernietiging te zien die de
godsdiensttwisten hadden veroorzaakt.
Ceram heeft in de koloniale tijd weinig betekent, het
eiland was woest en onbegaanbaar, en werd bewoond door gevreesde
koppensnellers, de Alfuren. Pas aan het einde van de 19e
eeuw vestigden de Nederlanders hun macht op Ceram en hebben het
eiland daarna “gepacificeerd”. Er waren voor mij redenen
genoeg om aan te nemen dat het fort er waarschijnlijk niet was.
Ik ging daarom maar wat wandelen en schoot hier en daar een
fotootje in dit “gat”. De bevolking lijkt al meer op
Papua’s met andere soorten Indonesiërs ertussen door, want er
zijn diverse transmigratie projecten geweest. Hoewel er in dit
soort plaatsen geen zak te doen is, is een bezoek aan zo een
oord altijd leuk. De mensen zien nauwelijks een toerist en zijn
daarom zeer vriendelijk. Als men bahasa Indonesia spreekt is een
bezoek aan een plaats als Masohi altijd de moeite waard, want
juist op dit soort plekken blijkt hoe vriendelijk en onbevangen
de gewone Indonesiër kan zijn. Je moet er natuurlijk wel tegen
kunnen dat iedereen je aanstaart. Op dit soort momenten krijg je
een diep medelijden met toeristen die naar het meer dan volle
Java en Bali gaan, die stinkende modderpoel van overbevolking.
|
|
 |
|
Kerk
in Masohi
|
|
 |
|
Masohi
Plaza aan Masohi 'Main Street'
|
Ik
ging weer op weg naar Amahai, want er zou om 1400 uur een snelle
boot naar Tulehu vertrekken, anders was ik aangewezen op een
veel langzamere, die er langer dan 3 uur over zou doen. Aan het
begin het plaatsje liet ik me afzetten en nam wandelend een
kijkje. Er is altijd wel iets te zien in dit soort haventjes.
Voor de terugreis kocht ik een ticket ekonomie en ging op het
achterdek staan. Ik zag Nusa Laut, Saparua en Haruku van een
afstand, af en toe een vliegende vis, dit wonderlijke dier had
ik jaren gelden voor het eerst in Sri Lanka gezien, behoorlijk
spectaculair, want je denkt dat het een vogel
is, die uit het water opstijgt en er weer in duikt. Met
Ambon in zicht begon het weer slecht te worden, donkere wolken
pakten zich samen en een wind stak op, op de golven waren
schuimkoppen te zien, de boot slingerde iets maar niet iets om
ongerust over te worden, want echt klein was deze boot niet te
noemen. 1530 uur was ik weer in Tulehu. Mijn kop voelde stevig
verbrand en op mijn armen waren blaasjes van de zonnebrand te
zien. Ik ging wat eten en daarna terug naar mijn hotel.
|
|
|
|
Toer
naar Buru, gevangeniseiland van de Orba….
|
|
Toen
ik contact met Merpati opnam om er achter te komen of er nog
veranderingen in het ‘schedule’ voor de vlucht naar Namlea
waren, hoorde ik dat de vlucht van Zondag vijf dagen was
verschoven. Dat was mij te lang wachten, ik had inmiddels
vernomen dat er elke dag een snelle boot naar Buru vertrok, dus
vroeg en kreeg ik een refund voor mijn ticket. Zondagochtend is
het op Ambon stil, af en toe luidt er een kerkklok, er is bijna
geen verkeer op de weg, men is zeker bang dat de Heer wordt
gestoord door al die open uitlaatjes, terwijl Hij rust aan het
nemen is vanwege de zware mislukkingen van zijn Schepping,
vooral op Ambon en omgeving. Tegenwoordig denkt de Heer na over
zijn eigen zonden, de fouten die hij bij zijn schepping van
Alles heeft gemaakt. De regen kwam weer eens met bakken uit de
lucht, dáár was de Heer erg royaal mee de laatste dagen. Toen
ik in de lobby van het hotel iets te drinken ging halen zat daar
een heuse dominee. Het bleek dat hij een dienst voor het
personeel zou gaan houden. Er is een groot gebrek aan kerken
momenteel, daarom is er de “pendeta keliling”, zoiets als de
SRV man, geloof aan de deur gebracht. Er werd aan mij gevraagd
of ik mee wilde doen, mijn antwoord luidde ”nee”. Maar
voordat ik er erg in had was de dienst al aan de gang. Om zomaar
weg te lopen vond ik beledigend, dus bleef ik zitten, een
westerling is tenslotte per definitie een christen, daarbij
waren wij Nederlanders degenen die het Protestantisme naar Ambon
brachten. Er werden
psalmen gezongen en uit de bijbel voorgelezen. Dit ritueel
duurde slechts een kwartier, voor ik er erg in had was het
afgelopen, na afloop koffie en koekjes. De Dominee begon tegen
me te spreken, uiteraard met het soort zalvende stem dat bij zo
een persoon hoort. Ik heb weinig over het geloof te melden,
zeker niet over het zwarte kousen geloof, dus zei ik maar tegen
de man dat mijn plek in de hel al was gereserveerd, ik hoefde me
nergens druk over te maken, slechts dit aardse leven tot een
mooi en goed einde brengen. Levend zonder echte vrees voor God,
die voor mij iemand is die gezellig in mijn leven meedoet, als
een van de onderdelen, zeker niet het belangrijkste, maar ook
niet te verwaarlozen, Hij gaf vaak van zijn aanwezigheid blijk,
omdat Hij een engeltje op mijn schouder had geplaatst, om mij te
behoeden voor grote ongelukken. De Dominee moest verder, er
wachtten nog vele zwarte schaapjes op zijn bezoek vandaag.
De
taksi die ik had besteld kwam voorrijden, voor de rit naar de
haven van Ambon. Daar kocht ik een kaartje voor de Express
Bahari XI prijs 155.000 Rp. kelas eksekutip. Het zou nog een uur
duren voordat het schip vertrok, dus ging ik eerst even eten in
mijn inmiddels favoriete RM Padang, waar ze allerlei heerlijke
visjes hadden plus een charmante loensende serveerster met een
T-shirt waarop stond “Were you was when it happend” Na goed
gegeten te hebben ging ik naar de boot, checkte onmiddellijk in.
De afvaart was vrij spoedig. Ik was hoogst verbaasd, de boot was
vrijwel leeg. Een immens schip, in 2002 te Batam gebouwd, voor
minstens 300 passagiers, misschien was slechts 25 % van de
zitplaatsen gevuld. De ruimtes voor de passagiers hadden de
zelfde indeling als een Boeing 747 dus 3–5–3, in
compartimenten met 5 rijen zitplaatsen, ruimer dan een
vliegtuig, comfortabel. Compleet met blèrende TV, buiten was
het grijs en zwaar bewolkt, de golven droegen schuimkoppen. De
tocht op een bijna leeg schip en het weer buiten had iets
onwezenlijks, in waande me eerder in “Het Kanaal” tussen
Dover en Calais op een februaridag, dan tussen Ambon en Buru.
Vanuit het raam zag ik diverse vliegende vissen, verder niets
behalve golven. Op een gegeven moment kwam de zuidwestpunt van
Buru in zicht, weer vrij hoge bergen, doch de af te leggen
afstand was nog groot, Namlea ligt aan een baai op de Noordwest
punt. Precies tegen zonsondergang kwamen wij daar aan, het
moment was schitterend. Echter in het donker aankomen in een
onbekende plaats vind ik nooit zo geslaagd. Ik leid dan aan
desoriëntatie, vraag me voortdurend af waar ik ben. Ik
charterde een taksi en liet me naar een hotelletje in de stad
brengen, prijs voor een kamer 100.000 Rp met AC. Daarna even
wandelen in een duistere omgeving waar nauwelijks iets te
onderscheiden valt, op zoek naar eten. Ik vond een rumah makan
waar ik nasi, twee visjes met groenten at, plus een es teh
manis. De rekening van 30.000 Rp leek me aan de hoge kant. Maar
er liepen zoveel kinderen in dat eethuis rond, dat moeder vast
dacht, hé een bule even rippen. Het overkomt mij zelden in een
eethuis. Ik ga ook niet in discussie, kom gewoon nooit meer
terug.
De
hotelkamer waar ik verbleef bevond zich aan de voorkant aan de
hoofdstraat van Namlea, ik vreesde het ergste voor mijn
nachtrust, maar weet ook wel dat in dit soort oorden de mensen
vroeg op één oor gaan. Ik stond bij zonsopgang op, ik keek uit
het raam, het eerste wat ik zag was een afgebrande kerk……het
teken dat ik nog in de Molukken zat. Het ontbijt was een kopje
thee en een stuk cake in dusdanig feestelijke kleuren dat ik het
maar heb laten staan. Ik ging vroeg op pad alweer zoekend naar
een boot. Ik had gegevens dat er in Namlea een fort moest zijn,
in de 19e eeuw gebruikten Amerikaanse walvisvaarders
de baai en in hun verhalen kwam er een goed gebouwd fort met de
naam “Defensie” voor. Dit werd bemand met 8 Europeanen, w.o.
een commandant, een dokter en een controleur, plus Javaanse en
Madurese troepen. Ik had echter ook iets gelezen over een fort
in Cajalie. Op gevoel besloot ik naar Kayeli te gaan, toen ik
bij de steigers in Namlea informeerde bleek daar inderdaad een
fort te zijn. Transport was weer moeilijk, doch ik kon meevaren
met een boot die proviand bij een houtkapbedrijf ging afleveren.
De baai van Namlea is minstens 10 kilometer breed, afgesloten
door twee kapen, Tanjung Kerbau en Tanjung Waat, een perfecte
natuurlijke haven en schitterend om te doorkruisen. Nadat de
voorraden voor het houtbedrijf waren afgeleverd, voeren we naar
Kayeli, een plek met een 50-tal huizen, we voeren een klein
riviertje op, waar we aan land gingen. De booteigenaar was
afkomstig uit deze plaats en bracht me naar het fort dat aan het
eind van het dorp lag. In de verte zag ik al de poort en toen ik
dichterbij kwam zag ik daarop in grote letters VOC staan. Ik had
echt mijn dag vandaag. Boven de poort stond een heel verhaal in
steen :
|
|
Gebouwt
onder de Regeering van Den Weledelen Agtbaren Heer
BERNARDUS van PLEUREN Gouverneur en Directeur deeser
Provintie Amboina onder het Opzigt van den Bockhouder
En Opperhooft deeser Comtoire
Ls In HACA |
|
|
Daaronder
een steen met het bekende logo : VOC
- 17.. (afgebroken).
Ik maakte mijn foto’s in en rond het fort, dat een plek was geworden
waar koeien graasden. Er liepen een behoorlijk aantal brutale jongetjes
uit de kampung mee, die ik met moeite voor mijn lens kon weghouden. Maar
een geintje doet een hoop, vragen of ze hun knappe zuster even kunnen
roepen, dat is veel leuker op de foto enz. Dat vonden ze blijkbaar zo
grappig dat ik ze snel onder controle had, net zoals de VOC deed met hun
verre voorouders
|
|
 |
|
Aankomst
in Kayeli
|
| Het
eiland Buru was in de Portugese tijd vrij belangrijk, er groeiden
kruidnagelen en de Baai van Kayeli was een beschut en strategisch punt. De
Portugezen slaagden er zelfs in om een gedeelte van de bevolking tot het
katholicisme te bekeren. Hetgeen in 1558 na verovering van door Ternate
weer teniet werd gedaan door de bevolking tot de Islam te herbekeren.
Omstreeks 1650 ‘expireerde’ de VOC alle kruidnagelbomen op Buru en
daarna is het eiland in een toestand van vergetelheid geraakt. Later kreeg
het bekendheid door de productie van minyak kayu putih en na 1965 werden
er duizenden personen verdacht van communistische sympathieën door
Soeharto naar dit eiland verbannen en werd Buru verboden gebied voor
buitenstaanders. De bekendste Indonesische schrijver P.A.Toer heeft daar
lange tijd, werkend in de sawa, doorgebracht en zijn 4 bekendste romans
hebben daar vorm gekregen, doordat hij ze aan zijn medegevangenen
vertelde. Waarschijnlijk heeft hij zijn reputatie als potentieel kandidaat
voor een Nobelprijs aan dit eiland te danken, want in mijn optiek zijn 3
van de 4 romans niet de moeite van het lezen waard. Niet beter dan
keukenmeidenlectuur, waarin een Javaan hoog over zichzelf opgeeft,
vermengd met al lang achterhaalde rode theorieën.
Na
het fotograferen gingen we koffie drinken, en kletsen natuurlijk, bij
familie van de schipper. Ik hoorde dat Kayeli de vroegere hoofdplaats was
van Buru, zelfs met een “raja”, maar dat was in de Molukken heel
gebruikelijk, iedere plaats had zijn “koning”. Uiteraard gingen de
gesprekken ook over corruptie, dat is gebruikelijk in Indonesia als je met
mensen spreekt die geen toegang hebben tot de geldstromen, zij die dat wel
hebben zwijgen in alle talen en gedragen zich daarbij zeer arrogant. Het
is vaak niet moeilijk om te zien hoe iemand aan zijn geld komt in dit
land. Ik moest nog onderhandelen over de boot die
mij terug zou brengen, het was al na de middag en dan steekt de
wind op en kan er door de hoge golven niet meer gevaren worden. Door een
misverstand had ik niet van tevoren een prijs afgesproken, vaak een
gevaarlijke situatie, doch we kwamen op eenvoudige wijze 250.000 Rp
overeen, misschien wel een stevige prijs, ik had echter resultaat geboekt
via een paar aardige mensen, die moet je wat gunnen. Zo een rijk leven
heeft men hier niet. Op de terugweg sloeg het water inderdaad vaak over de
boot heen, we waren net onderweg of ik was al kletsnat en verhuisde naar
achterin, waar er zeilen lagen, daarachter kon ik me verschuilen.
Inmiddels hing mijn huid in lappen om mijn armen en op mijn gezicht, door
die tripjes op zee verbrandde mijn vel steeds, hoewel er van zonneschijn
niet echt sprake was. Zelfs de witte huid die onder de donkere huid
tevoorschijn kwam was al verbrand. Ik ben de zon niet meer gewend, meestal
mijd ik die zoals alle Indonesiërs, omdat deze veel te heet is. Ik hoef
ook niet thuis te komen met een bruin verbrande kop en iedereen horen
zeggen : “Jeminee, wat zie jij d’r goed uit….”
|
|
 |
|
Een
Buginees huis, op zee
|
|
|
|
Van
Namlea terug naar Ambon….
|
|
Ik
besloot nog een dag te Namlea te blijven, wat rondwandelen,
eventueel kletsen met personen die iets interessants te melden
hebben. Zoals ik al vertelde, Engels sprekenden zijn in dit
soort gebieden zeer dun gezaaid. Ik kan dit niet precies
bepalen, want ik bedien me in dit land uitsluitend van bahasa
Indonesia, Engels ga ik uit de weg. Ik heb op Buru maar één
jongedame ontmoet die redelijk Engels sprak. Dat neemt niet weg
dat je veel in het “Engels” wordt aangesproken. Jongeren die
hetgeen ze op school geleerd hebben in de praktijk willen
brengen. Ik kan helaas niet het geduld opbrengen naar dat
gestuntel te luisteren, omdat het altijd om een
standaardconversatie gaat, die waarschijnlijk uit de
schoolboekjes komt. Soms dromt er een groepje om je heen die dan
hun Engels op jou gaan uitproberen. Ik zeg dan onmiddellijk
“Sedang apa, mencoba bahasa Ingrissku? Ayam sori aku bukan
orang Inggris’, daarna valt er even een stilte…en breekt er
een gelach uit. Vaak ben ik al in het bahasa Indonesia aan het
praten en wordt mij gevraagd : Bisa ngomong bahasa Indonesia?”
Het liefst onderhoud ik me met oudere personen die over vroeger
kunnen vertellen. Zoals de Japanse bezetting, de eerste jaren
van de revolutie, en overleveringen van hun ouders. Over Buru
kan je nog de speciale vraag stellen: “Hoe was het toen al die
communisten hier kwamen?”
Buru
is 9000 km² groot, dat is anderhalf maal Bali, de bevolking
bedraagt ongeveer 60.000 mensen, waarvan de helft in Namlea en
omgeving is gevestigd, uiterst dun bevolkt kan je wel stellen.
Deze bevolking bestaat voor 50% uit mensen van Buru en andere
eilanden van de Molukken, het restant zijn “pendatang” zoals
Bugis, mensen uit Buton op Sulawesi en Javanen, de laatsten
kwamen in Buru terecht via een transmigrasi programma. Aan de
zeekant van Namlea zie je de huizen van Bugis op palen boven het
water. Ik heb eigenlijk weinig paalwoningen in Ambon en omgeving
gezien, men zegt dat de zee daarvoor te ruw is. De zee is hier
zeer overvloedig bevolkt met vele soorten vis en schaaldieren.
Vanochtend stopte er een man op een brommertje die bood mij een
kreeft aan van zeker een kilo of 4, een monster. Ik ging later
in een restaurantje ontbijten en heb daar een visje laten
roosteren, waar ik de naam van vergeten ben, maar het was een
platvis met een tijgerachtige gekleurde huid, men had het over
een ikan batu, bijzonder lekker, daarbij rijst, lalapan plus
twee koffie voor 20.000 Rp een gewone maaltijd kost hier max.
10.000 Rp. Aan de steigers liggen boten die naar alle delen van
het eiland varen. Ik denk dat een “trekking” op Buru een
fantastisch avontuur kan wezen, er leven nog traditionele
volkeren, er schijnt een mooi meer in het centrum van het eiland
te wezen, stranden in overvloed en ik denk dat duikliefhebbers
hier ook aan hun trekken kunnen komen.
Het lijkt wel alsof ik reclame zit te maken. Nee, dat doe
ik niet, ik denk alleen maar aan die mensen die op vakantie naar
Java en Bali gaan, zonder hun blik verder te laten gaan,
sommigen gaan nog naar Sumatera, dat is voornamelijk om zwaar
gesubsidieerde mensapen in hun natuurlijke omgeving weg te zien
kwijnen. Het blijkt gewoon dat bijna al die toeristen die naar
Indonesia komen het zelfde doen en gaan zien, als
voorgeprogrammeerde robots reizen ze naar een paar plekken op 2
- 3 eilanden en hebben dan Indonesia gezien. Indonesia is zo
immens groot, dat 3 mensenlevens waarin men voortdurend vakantie
heeft, waarschijnlijk niet voldoende zijn om alles wat het land
te bieden heeft te bezoeken.. Ik dwaal vreselijk af, terug naar
Namlea, Buru.
Het
eiland Buru is ook op 14 maart jl. bezocht door een tsunami en
daarna een aardbeving van 6,4 op de schaal van Richter. Nogal
hevig, doch in het Westen weten ze inmiddels wel wat een tsunami
inhoudt en schrikken ze daar alleen nog maar door een grotere
ramp, de golven sloegen “slechts” 5 kilometer het land in.
Omdat er bijna geen mensen op Buru wonen
100’en huizen ver | |